Home

Het publiek bij klassieke concerten mag echt wel wat aardiger zijn

Wekelijks neemt Bor Beekman, Robert van Gijssel, Merlijn Kerkhof, Anna van Leeuwen of Herien Wensink stelling in de wereld van film, ­muziek, theater of beeldende kunst.

Ik moet iets rechtzetten. Ik heb in een eerdere column hoogst onaangenaam gedrag vergoelijkt. De column, uit november, ging over een uitvoering van het Requiem van Verdi in het Amsterdamse Concertgebouw. Het concert werd verstoord door een klimaatactivist. Die werd vervolgens hardhandig door medebezoekers weggevoerd, onder applaus. Ik ergerde me aan hoe het klassiekemuziekpubliek in de nasleep werd neergezet – ‘de elitaire boomers’ die ‘hun avondje uit’ belangrijker vinden dan de leefbaarheid van deze planeet – en nam het voor het publiek op.

Maar eigenlijk was het een nogal typisch gebeuren. Ik geef het niet graag toe, maar de sfeer rond klassieke concerten is vaak helemaal niet zo leuk – eerder ronduit negatief, en soms zelfs vijandig.

Ik merk dat pas als ik bij een popconcert ben. Zo was ik vorige zomer bij Andrew Bird in TivoliVredenburg in Utrecht. Bij de rij voor de drankjes keek ik mijn vriendin aan. Huh? Niemand dringt voor! En ze lachen hier gewoon naar elkaar. Eenmaal op onze plaats werden we zowaar door de mensen naast ons begroet. Ik was zo verrast dat ik er amper een ‘hallo’ kreeg uitgeperst.

En dan kom je weer in het Concertgebouw. Zo krap zijn de gangen er nou ook weer niet, toch is de kans groot dat je tegen iemand aanloopt – of zij tegen jou. Het menselijk brein is zo afgesteld dat als we medemensen naderen, we zonder dat we erbij nadenken een beetje uit de weg gaan. Maar bij veel bezoekers van de donderdagavondserie van het Concertgebouworkest is die innerlijke magneet iets anders afgesteld: die lopen gewoon door. Je wordt pas in je bestaan erkend als je als stootkussen hebt gediend. Zou het toch iets met welvaart te maken hebben misschien?

Op sociale media stelde ik de vraag waaraan bezoekers zich ergeren in de klassieke concertzaal. Er volgde een waslijst van klachten. Het ritselen met programmaboekjes of snoeppapiertjes (tergend langzaam uitpakken, omdat je wel wéét dat het stoort), het gekuch tussen de delen, de mobieltjes die toch altijd wel afgaan. De vroegklappers en bravoroepers (m), de rondzingende gehoorapparaten, de overgeparfumeerden, de mensen die gaan filmen, ook al is dat niet toegestaan. Mijn hypothese: er is zo veel om je in potentie aan te ergeren, dat de geharde klassiekemuziekminnaar al met een vrij negatieve instelling naar de concertzaal gaat.

Ik kom voor de muziek, niet voor de gezelligheid, en ik vind het ook geen drama als ik weer eens bij de uitgang door een horde parelkettingdraagsters word vertrapt. Maar zalen weten allang dat voor veel bezoekers, zeker jongeren, de sfeer bepalend is voor of ze nog eens komen of niet. Daar mag best wat meer aandacht voor zijn.

Willen we dat deze muziektraditie blijft voortbestaan, dan doen we er als publiek goed aan om wat vriendelijker en geduldiger te zijn. Om mensen juist te complimenteren in plaats van uit te foeteren als ze hun kinderen meenemen. En om vergevingsgezind te zijn ten aanzien van de hoesters, en die ene activist die aandacht vraagt voor de planeet waar hij zo bezorgd om is.

Source: Volkskrant

Previous

Next