Home

Opinie: Ooit leek rechter worden me maatschappelijk relevant. Het bleek werken in een onderbezette koekjesfabriek

Het neusje van de zalm. Dat waren wij, zo werd ons verteld op de eerste dag van de rechtersopleiding. Ik wilde iets bijdragen aan de samenleving, daarom werd ik rechter en na de opleiding koos ik voor het bestuursrecht, omdat hierin overheid en burger tegenover elkaar staan.

Over de auteur
Aisha Dutrieux
is ex-rechter en schrijver. Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.

Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.

Als bestuursrechter heb je de belangrijke taak ‘ongelijkheidscompensatie’ te bieden: evenwicht aanbrengen in de verhouding tussen een machtige overheid en een burger die zelfstandig procedeert en/of over minder middelen beschikt. Denk hierbij aan zaken als vergunningen, subsidies, belastingen, sociale zekerheid en rechtspositie. Inmiddels is immers alom bekend dat mensen zich steeds vaker vermalen voelen tussen de kaken van de overheid. Ook rechters merken dat ingrijpen steeds vaker nodig is.

Toen ik eenmaal rechter was, werden er lang van tevoren zittingen voor mij ingepland en deze werden door de griffie gevuld met een door het management bepaald aantal zaken. Zonder tussenpauze werden deze voor de vastgestelde tijdsduur van soms maar tien minuten per zaak achterelkaar gezet. Soms lukte het makkelijk binnen de tijd, vaker was het aanpoten, breedsprakige burgers bedwingen en weer naar buiten zien te dirigeren, want de partijen in de volgende zaak zaten alweer op de gang te wachten.

‘Wat heb ik hier nu aan?’ vroeg een man mij op een dag op zitting. Ik had hem aangehoord, mijn best gedaan om te blijven luisteren maar ondertussen in stilte berekend hoever ik inmiddels was uitgelopen en bedacht wat ik kon doen (de lunchpauze overslaan) ter compensatie. Kennelijk keek ik hem vragend aan, want hij vervolgde: ‘Ja, zeg nou zelf, we hebben het hier over iets dat twee jaar geleden speelde.’

Een half jaar, een jaar, soms twee jaar lagen dossiers op stapels op de griffie stof te verzamelen voordat er een rechter naar keek. Het stoorde me mateloos. Hoe maatschappelijk effectief is het wanneer mensen tegen een beslissing van een bestuursorgaan, iets dat nú speelt, in beroep gaan, om vervolgens maandenlang niets van de rechtbank te horen? Hoe menselijk is het om dan eindelijk een uitnodiging te krijgen voor een zitting, waarbij alvast wordt aangekondigd dat je tien minuten van de rechter krijgt? Wat doet dit met het vertrouwen in de rechtspraak?

Tijdens de eerste twee kabinetten-Rutte werd er bezuinigd op de rechtspraak. Er werden nauwelijks nieuwe rechters aangenomen. De raio-opleiding, die ertoe leidde dat er jaarlijks enkele tientallen nieuwe rechters het werkveld instroomden, werd opgedoekt. Te duur. Sindsdien toont onderzoek na onderzoek aan dat rechters structureel 40 tot ruim 50 procent overwerken. De bomvolle zittingen zijn het gevolg van het tekort aan rechters en de outputfinanciering waarop de rechtspraak wordt afgerekend. Van de prestatieafspraken die de Raad voor de rechtspraak jaarlijks maakt met de politiek. Zaken afdoen is het devies. Zo veel mogelijk, zo snel mogelijk. Dossiers die als koekjes van een lopende band rollen. Weg ermee, volgende zaak!

Een complicerende factor: zaken zijn ingewikkelder geworden. In steeds grotere mate wordt de rechtspraak namelijk geacht het Europese recht erbij te betrekken. Advocaten weten dit, strooien achteloos met verdragsartikelen, verordeningen, uitspraken van de Europese hoven die vaak, na veel uitzoekwerk, niet relevant blijken. Ook dit verhoogt de werkdruk aanzienlijk. En soms – steeds vaker – doet de wetgever zelf een duit in het zakje, door wetgeving af te leveren die overduidelijk gemankeerd is, niet goed doordacht, of simpelweg het onwerkbare resultaat van een politiek compromis.

Wanneer je niet anders weet dan dat je werk bestaat uit het wegwerken van een achterstand die gezien het huidige tekort van achthonderd rechters niet weg te werken valt, sluipt er een bepaalde gelatenheid in je handelen. Een uitzichtloosheid, als een troebel waas over je werkdagen. Ooit, in de studiebanken nog, zag je voor je hoe je als rechter mensen écht ging helpen. Nu heb je tijdens zittingen te weinig tijd om echt te luisteren; het besef dat achter elk stoffig dossier in de kast mensen schuilgaan, verbleekt met de dag.

Lopendebandwerk. Koekjesfabriek. Soms grapten we er onderling over, maar in wezen is het dieptreurig. Wat ook niet bijdraagt aan het werkplezier: het gevoel dat er zo tergend veel onnodige rechtszaken gevoerd worden. Mensen willen ‘hun recht halen’, ook als er nauwelijks iets op het spel staat. Bestuursorganen en lagere overheden (gemeenten) zijn geconfronteerd met doorlopende bezuinigingen, waardoor de kwaliteit van bezwarenprocedures – het filter dat voorafgaat aan een gang naar de rechter – soms om te huilen is. Het gevolg van onderbezetting van de betreffende bezwaarafdeling, en soms zelfs het gevolg van een strategische keuze. Veel zaken stranden na bezwaar, omdat mensen het erbij laten zitten. De grootste lichten worden dan ook op de afdeling beroep gezet, en pas dán wordt er serieus gekeken naar een dossier. Maar dan zijn er inmiddels ook een – voor de samenleving dure – rechter en juridisch ondersteuner bij betrokken.

Ook advocaten kunnen een kwalijke rol spelen. Kwesties die in een bezwarenprocedure eenvoudig zouden kunnen worden opgelost, worden juridisch inhoudelijk aangevlogen, met grof geschut. Het bezwaar als hinderlijke hobbel op weg naar de rechter. Eenmaal in een beroepsprocedure verstrikt geraakt, kan een burger dan verschrikt uitroepen dat hij helemaal niet wilde dat het zover zou komen.

En dan zijn er nog de no-cure-no-paybureautjes. Agressief adverteren zij: wij gaan uw recht voor u halen en het kost u niets! Vanuit een ‘baat het niet dan schaadt het niet’-gedachte laten mensen zich verleiden. Er wordt een formulier ondertekend waarin staat dat het bureautje toestemming heeft hem te vertegenwoordigen en, in de kleine lettertjes, dat het bureau zelfstandig mag beslissen om rechtsmiddelen aan te wenden. Bijvoorbeeld in WOZ-zaken leidt dit er dikwijls toe dat er namens iemand wordt geprocedeerd, die hiervan geen weet heeft.

Leidt dit tot een gegrondverklaring, dan volgt voor de betrokkene een terugbetaling van enkele euro’s te hoge WOZ-belasting, terwijl het bureautje de aanzienlijke proceskostenvergoeding incasseert. De rekening voor dit soort procedures, waarmee de kasten op de rechtbanken overvol liggen, wordt betaald door de samenleving. En er wordt niet toegekomen aan de zaken die echt de aandacht van een rechter verdienen.

Al vrij snel besloot ik dat ik niet zo veel zou gaan overwerken. Ik had een man met een fulltimebaan, jonge kinderen, 40 procent overwerken was geen optie. Binnen de bestuursrechtspraak wordt veel werk gedelegeerd aan juridisch medewerkers. Voor een zitting verrichten zij het nodige uitzoekwerk, zij vatten de kwestie samen en formuleren een voorlopig oordeel. Na de zitting schrijven zij concept-uitspraken. Juridisch medewerkers zijn ‘goedkoper’ dan rechters, dus vanuit een efficiëntiegedachte lijkt deze verdeling logisch. Toch nam het voor mij een aanzienlijk deel van het werkplezier weg.

Wanneer ik een aantal weken na een zitting een stapeltje dossiers terugkreeg, keurig en wel met de uitspraken erbovenop, voelde ik mij soms net een handtekeningenmachine. Meestal lukte het mij het werk op tijd af te krijgen, door mezelf ook echt als een machine te beschouwen. Een beslismachine: er moesten knopen worden doorgehakt, op basis van de informatie die beschikbaar was. Hierbij vertrouwde ik grotendeels op het uitzoekwerk van de ondersteuning, zelf in jurisprudentie of wetsgeschiedenis duiken, daar was nauwelijks tijd voor. Ook stelde ik geen al te hoge eisen aan de esthetische kwaliteit van mijn uitspraken: ‘niet fout is goed’. Handtekening eronder en door. Lopende band, koekjesfabriek. Mijn strategie om niet structureel te hoeven overwerken ging ten koste van een groot deel van het plezier in mijn werk. En een gelijke portie beroepseer. Onlangs heb ik de rechtspraak verlaten. Is er nog hoop voor mijn ex-collega’s?

Er wordt wel eens gefluisterd dat de hoge werkdruk het gevolg is van de autonomie (lees: eigenwijsheid) van rechters, omdat die vernieuwing in de weg staat. Rechters zijn voor het leven benoemd, kunnen lastig ontslagen worden, dus ja: ze kunnen zeer effectief dwars gaan liggen wanneer het management iets van hen vraagt. Toch geloof ik niet dat zij dit doen voor de lol. Rechters (verstokte uitzonderingen daargelaten) willen bijvoorbeeld best met digitale dossiers werken, maar dan moeten de ict-systemen wel functioneren én betrouwbaar zijn. De ervaringen tot nu toe hebben dikwijls anders geleerd.

Misschien zijn rechters gemiddeld genomen wat behoudender van aard. Toch lijkt dit mij niet per se een slechte eigenschap voor een groep mensen die de rechtsstaat moet bewaken, en daarmee de rust in de samenleving. Het is makkelijk kritiek leveren op een beroepsgroep die zich zelden in het openbaar profileert, laat staan verweert. Maar onderzoek na onderzoek wijst uit d Source: Volkskrant

Previous

Next