Het nieuwe pensioenstelsel verdient het voordeel van de twijfel, maar waakzaamheid is de komende jaren wel geboden.
Toen Eerste Kamervoorzitter Jan Anthonie Bruijn dinsdagavond het finale oordeel velde over de pensioenwet (46 stemmen voor, 27 tegen) kwam een einde aan vijftien jaar praten, in de polder en op het Binnenhof. Het debat begon al ver voordat het mis ging met de vermogenspositie van de pensioenfondsen, om de simpele reden dat het stelsel nu te weinig inspeelt op de snel veranderde arbeidsmarkt. Voor wie het veertig jaar uitzingt bij een werkgever is er weinig aan de hand, maar wisselingen van baan, overstappen naar andere sectoren, verlofperiodes of kortere werkweken hebben nu vaak grote maar onoverzichtelijke gevolgen voor de pensioenopbouw.
De financiële malaise die de fondsen tot voor kort teisterde maakte bovendien duidelijk dat het stelsel uitgaat van een valse belofte: het suggereert aanspraak op een pensioenuitkering die lang niet altijd kan worden waargemaakt. De jarenlange breuk met die belofte heeft het vertrouwen in de fondsen ernstig geschaad. De kloof tussen de reële vooruitzichten en de verwachtingen van de spaarders was simpelweg te groot geworden. Dat leidde tot generatieconflicten tussen ouderen die zich bekocht voelden en jongeren die niet wilden dat hun fonds werd leeggegeten door de huidige gepensioneerden.
Het nieuwe stelsel lost veel van die problemen op. Het pensioenvooruitzicht wordt individueler en transparanter: je ingelegde premie plus (of min) de beleggingsresultaten. Ook wordt het flexibeler voor overstappers en aantrekkelijker voor jongeren die hun eigen aanspraken eerder opbouwen. De solidariteit blijft grotendeels overeind: de individuele pensioenvermogens ademen mee met de collectieve beleggingsrendementen.
Vanwege die vooruitzichten is het niet verwonderlijk dat een ruime meerderheid in het parlement koos voor het voordeel van de twijfel. De tegenstanders hebben gelijk dat daarmee de twijfel niet weg is. Het nieuwe stelsel biedt volgens de meeste prognoses uitzicht op hogere uitkeringen, omdat die sneller meebewegen met de fondsresultaten, maar garanties zijn er nog altijd niet. Niemand weet wat er in de loop van dertig jaar gebeurt met de waarde van de beleggingen. Een langdurige financiële crisis op een slecht moment - enkele jaren voor pensionering - kan voor individuele spaarders grote gevolgen hebben.
Op korte termijn liggen nieuwe generatieconflicten op de loer bij de enorme uitvoeringsoperatie waar de fondsen nu voor staan. De overgang slaat vooral bij veertigers en vijftigers een gat van miljarden euro’s. Dat moet worden gedicht, maar dat kan niet zonder beroep op de aanspraken van de andere deelnemers. De fondsen krijgen veel vrijheid om het naar eigen inzicht op te lossen, maar zonder wrijving zal het waarschijnlijk niet gaan. Pijnlijke rechtszaken zijn niet uitgesloten.
Er is voorzien in toezichthouders en afspraken om te voorkomen het mis gaat, maar veel is nog onduidelijk over de kosten en de omvang van de operatie. Kan elk pensioenfonds dit wel aan? Alleen daarom al zou het goed zijn als deze operatie ook de pensioenspaarders eens wakker kust. Want het zit niet in de natuur van de meeste Nederlanders, maar wie niet onaangenaam verrast wil worden doet er goed aan de bewegingen van het eigen fonds nu op de voet te blijven volgen.
In het Volkskrant Commentaar wordt het standpunt van de krant verwoord. Het komt tot stand na een discussie tussen de commentatoren en de hoofdredactie.
Source: Volkskrant