In zijn column van afgelopen zaterdag doet collega-redacteur Martin Sommer een beroep op een 161 jaar oude uitspraak van de, volgens hem ‘grote’, liberale politicus Johan Rudolph Thorbecke om ons erop te wijzen dat de politiek ‘geen oordelaar’ van de kunst mag zijn.
Sommer reageerde hiermee op mijn stuk ‘Wen er maar weer aan’ van twee weken geleden, maar vooral op de documentaire White Balls on Walls die dinsdag op televisie te zien was. Daarin volgt regisseur Sarah Vos de besognes binnen het Amsterdamse Stedelijk Museum om, ondanks een hagelwitte staf van conservatoren, inclusiever en diverser te worden. Cruciale scène in de film is die met cultuurwethouder Touria Meliani die tegenover Stedelijk-directeur Rein Wolfs dreigt met subsidiekorting als het museum niet meer aandacht besteedt aan niet-westerse en vrouwelijke kunstenaars.
Over de auteur:
Rutger Pontzen is sinds 2002 kunstcriticus en redacteur beeldende kunst van de Volkskrant en schrijft zowel over oude en moderne als hedendaagse kunst.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Voor Sommer is dit dreigement het bewijs dat de politiek, ondanks de uitspraak van Thorbecke, zich toch inhoudelijk met de kunst aan het bemoeien is. En dat de inclusiviteitsdiscussie niet zozeer een ‘opstand van onderop’ is, vanuit de kunstenaars, maar dat het een door de politiek van bovenaf ‘opgelegde revolutie’ betreft.
Fijn dus dat Sommer ons met het beroemde Thorbecke-citaat op deze machtsverhouding nog eens wil wijzen, temeer omdat hij zelf zegt weinig van kunst te weten maar, dat als het over politiek gaat, hij ‘minder gezeglijk’ is. Ik zou mijn gewaardeerde collega willen toefluisteren: verdiep je eens goed in de contemporaine kunstgeschiedenis en kunstpolitiek voordat je de machtsverhoudingen daarin met een liberale uitspraak uit 1862 wil neersabelen.
Natuurlijk kan niemand gelukkig zijn met de uitspraak van de Amsterdamse cultuurwethouder. Ook ik niet. ‘Waar bemoeit die zich wel niet mee’, had ik eerder geschreven. Maar beter dan zich te concentreren op de politieke inmenging had Sommer zich kunnen richten op de oorzaak van deze bemoeienis.
Als kunst ergens over gaat dan is het over verandering en vernieuwing. In die zin geeft het geen pas dat al eeuwenlang een select groepje witte, westerse mannen het voor het zeggen heeft gehad als het gaat om wat wel en niet tot de kunst behoort. In de kunsthistorische wereld, in de musea, binnen de kunstkritiek is men lange tijd ziende blind en horende doof gebleven voor kunstenaars die niet binnen de grenzen van de aloude kunsthistorische canon behoorden die door het hierboven genoemde groepje mannen werd gedicteerd.
Let wel: die canon is niet iets wat op een maandagochtend is verzonnen. Het is een ontwikkeling die zich over eeuwen heeft gevormd door steeds dezelfde namen te herhalen en steeds dezelfde kwaliteiten te benadrukken: van de gouden snede van de Grieken en het baanbrekende realisme van de Romeinen, via het humanisme van Giotto, de krachtpatsers-sculpturen van Michelangelo en de stilistische avontuurlijkheid van Caravaggio, tot de semi-abstracte schilderijen van Cézanne en het rood-geel-blauwe kleurengamma van Mondriaan.
Alleen al om dat dogma te doorbreken is het volgens mij noodzakelijk en onvermijdelijk dat daarin, gezien de meer open kijk op wie en wat een kunstenaar is, waar die vandaan komt, welke sekse deze heeft, welke culturele achtergrond hij of zij of hen bezit, dat daarin verandering komt. Opdat andere inzichten en smaken, andere opvattingen, technieken en materialen, andere stijlen en verhalen de kans krijgen gezien en gehoord te worden.
En ja, soms is daar de politiek voor nodig om als een buitenstaander de boel met een koevoet open te breken, daar waar de museumwereld het zelf laat afweten. Want wat Meliani wil bewerkstelligen is waar veel kunstenaars al minstens 25 jaar tegen strijden: tegen het in hun ogen veel te eenzijdige en vooringenomen beleid van musea. Dat oogt volgens mij eerder als een ‘opstand van onderop’ dan als een door de politiek ‘opgelegde revolutie’ van bovenaf, zoals Sommer ons wil laten geloven.
Dat grote Westerse musea als het MoMA in New York, Prado in Madrid, Tate Modern in Londen en het Stedelijk in Amsterdam pas recentelijk deze nieuwe geluiden laten doorsijpelen in hun collectieopstelling, bevordert niet hun imago als avant-gardistisch of vooruitstrevend – wel als lui.
Wat Sommer in zijn liberale Thorbecke-enthousiasme vergeet is dat de band tussen museum, directeur en cultuurwethouder in Nederland altijd nauw is geweest. Zie het moeizame internationaliseringsproces onder Edy de Wilde in het Eindhovense Van Abbemuseum, de innige band tussen wethouder Ab de Roos en directeur Willem Sandberg in het Amsterdamse Stedelijk, het belang van wethouder Ypke Gietema voor de bouw van het Groninger Museum, de volharding waarmee wethouder Ernst Bakker Rudi Fuchs als Stedelijk-directeur wilde aanstellen.
Wat velen nog wel eens vergeten: politieke welwillendheid en support zijn even beleidsbepalend als politieke kritiek – niet in het bepalen wie een solotentoonstelling krijgt of welk schilderij er aan muur komt, wel als het gaat om de grote lijnen. Wie de cultuurwethouder buiten de deur wil houden moet een eigen museum oprichten.
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden