Home

‘Ik hoor vaker: de Green Deal is ideologie. Maar de basis is toch echt kennis, wetenschap’

N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.

Hans Bruyninckx In tien jaar tijd zag de baas van het invloedrijke Europees Milieuagentschap de onderwerpen klimaat en milieu uitgroeien van marginaal tot „de aanjager van alles”.

Hans Bruyninckx is van nature goedgehumeurd en legt met plezier voor de zoveelste keer het belang van natuur en milieu uit. Maar aan het eind van het gesprek met NRC begint hij toch, nog voor de vraag volledig gesteld is, driftig met zijn hoofd te schudden.

„Nee, nee, nee”, bromt Bruyninckx, „met permissie: maar dat is bijna een onethisch argument!”

De vraag was: komt de voedselvoorziening in Europa niet in gevaar als EU-landen, zoals Brussel wil, meer aan natuurherstel moeten doen? Vooral sinds de oorlog in Oekraïne en de problemen met de distributie van graan klinkt dat argument in de Europese discussie luid. Maar Bruyninckx wil er direct korte metten mee maken. „Er ís geen voedselveiligheidsprobleem in Europa”, zegt de Belg beslist. „Die oorlog in Oekraïne heeft enkel een voedselveiligheidsprobleem gecreëerd in Afrika, en nog wat andere plekken. Ja, daar word ik inderdaad wat kribbig van. Gebruik argumenten die steek houden.”

Dit is waar Bruyninckx, die deze maand afzwaait als directeur van het invloedrijke Europees Milieuagentschap (EEA), steeds op hamert. De afgelopen tien jaar was het zijn belangrijkste taak: feiten aanleveren voor het maken van Europees klimaat- en milieubeleid. En begin deze maand publiceerde zijn organisatie nog een rapport waarin het duidelijk stond: niet natuurbescherming, maar juist het verlies aan biodiversiteit is voor Europa de grootste bedreiging voor de voedselvoorziening.

De aanstelling van Bruyninckx als hoofd van het EEA viel tien jaar geleden op: als politicoloog had hij niet, zoals zijn voorgangers, een achtergrond in de biologie. Achteraf lijkt het al een stuk logischer, nu klimaat- en milieubeleid de afgelopen tien jaar in het middelpunt van de Europese politiek kwamen te staan. Een ontwikkeling waarbij het EEA en vooral ook Bruyninckx zelf nauw betrokken waren. In de tien jaar dat hij het agentschap leidde, vond in Europa „een fundamentele verschuiving” plaats. „Mensen die rond klimaat en milieu werkten, zaten altijd wat in de marge. Als het er echt op aankwam, speelde je niet mee. Dat is nu compleet anders. Het is nu de aanjager van alles.”

Bruyninckx keert terug naar de wetenschap, na tien jaar in een „onwaarschijnlijk mooie job”. Toch lijkt het geen baan waar je vrolijk van wordt, als je alleen al kijkt naar de titels van de doorwrochte rapporten over de staat van klimaat, milieu en natuur die het EEA met regelmaat uitbrengt. „Luchtverontreinigingsniveaus in heel Europa zijn nog steeds niet veilig, vooral niet voor kinderen”, lees je dan. Of: „Europese natuur is in slechte staat en vertoont de laatste jaren weinig tekenen van verbetering.”

Ermee geconfronteerd moet Bruyninckx even glimlachen. „De wetenschap is natuurlijk wat ze is. Dus ja: je moet een zeker optimisme hebben om in dit vakgebied lang mee te draaien. Maar het is vooral hoe een van de grondleggers van de EU, Jean Monnet, het zei. Ik ben noch optimistisch, noch pessimistisch: ik ben vastbesloten. De Europese Green Deal stemt mij optimistisch, omdat die het meest geïntegreerde, ambitieuze en op de wetenschap gebaseerde antwoord is op alle uitdagingen. Anderzijds, wanneer ik kijk naar de voorbije zomer – hittegolven, bosbranden, lage waterstanden: dat is perfect wat we vijftien jaar geleden voorspelden. Daar word je natuurlijk niet vrolijk van. Maar pessimisme helpt ons niet vooruit. Volharding wel.”

Hans Bruyninckx (1964) studeerde politieke wetenschappen aan de Katholieke Universiteit Leuven.

Hij specialiseerde zich bij zijn promotie aan de Amerikaanse Colorado State University in de internationale milieupolitiek. In de jaren daarna doceerde hij aan verschillende universiteiten in de VS en Europa, waaronder de Wageningen Universiteit. Sinds 1998 is hij hoogleraar internationaal milieupolitiek in Leuven.

In december 2012 werd Bruyninckx benoemd tot directeur van het Europees Milieuagentschap, een positie die vijf jaar later nog eens werd verlengd.

Rapporten van de EEA, zegt Bruyninckx, belanden allang niet meer in een la. Ze vormden stuk voor stuk de basis voor beleid dat de afgelopen jaren in Brussel werd uitgewerkt. „Daar haal ik mijn motivatie uit en ook mijn gedeeltelijke optimisme. We hebben veel tijd verloren. Maar in feite hebben we nu de oplossingen voor een groot deel, het is enkel opschalen en versnellen. En er is geen gebrek aan kapitaal. Dat overheden op heel veel plekken op dit moment moeite hebben om hun begroting rond te krijgen, betekent niet dat er in de markt en samenleving niet meer dan genoeg financiering beschikbaar is. Het moet alleen de juiste kant uit worden gestuurd.”

In 2019 noemde u Nederland in een interview bij Buitenhof desgevraagd een „zorgenkindje”. Is dat nog steeds zo?

„Ja, dat denk ik wel. Je hebt de zaak niet ingehaald in enkele jaren. Nederland zat duidelijk vast in een gasverslaving en de omslag daarvan heeft tijd nodig. Hetzelfde geldt voor mobiliteit: de Randstad zit nog vol en vast. En zeker als je kijkt naar stikstof, biodiversiteit en natuur: daar heb je echt een serieus probleem. Het vergt een langetermijnvisie, niet met iedere regeerperiode heel andere keuzes. En dat is niet makkelijk.”

Ondertussen is natuur in Nederland een enorm polariserend onderwerp geworden.

„Dat is natuurlijk enorm zorgelijk. Natuur was altijd iets dat mensen verbond. Mensen gingen er wandelen, de hond uitlaten, met de kinderen spelen. Het maakte eigenlijk niet uit van welke ideologische strekking je was en of je in een stad woonde of op het platteland. Nu wordt dat wel geïdeologiseerd en dat is zeer zorgelijk.”

Critici van stikstofmaatregelen zeggen: moet het hele land nu wel stilliggen voor de bescherming van „snippers natuur”, voor onbekende plantjes als de waterlobelia. Hebben ze een punt?

„Maar dat is een logica die geen steek houdt als je kijkt naar de systemische uitdagingen waar we voor staan. Een sterke biodiversiteit is cruciaal, want natuurlijk kapitaal is het basiskapitaal waarop onze samenleving gebouwd is. Het gaat niet over die ene soort, het gaat over ecosystemen waarin al die soorten nodig zijn. En als we die herstellen, zullen ze op termijn een veel krachtiger basis vormen voor de omgang met klimaatverandering. Of voor ons voedselsysteem, voor onze gezondheid, voor het leefbaar houden van onze steden als er meer hittegolven komen – en die gaan er komen.”

Niet alleen in Nederland polariseert natuur- en klimaatbeleid, ook elders in Europa slaat de stemming om. Steeds vaker klinkt verzet tegen nieuwe maatregelen, vooral die meer natuurbescherming vereisen en daarmee impact hebben op ruimtelijke ordening en landbouw. -Bruy-ninckx baart het grote zorgen, zegt hij. „Ik hoor vaker: de Green Deal is ideologie, of groene waanzin. Maar de basis is toch echt kennis, wetenschap. Het is een beleidsantwoord op de informatie die komt van het IPCC, het IPBES over biodiversiteit, de Wereldgezondheidsorganisatie, noem maar op.”

Hij benadrukt meermaals: discussies over kosten en baten, over groeiende ongelijkheid, „het verdelen van de koek”, dat is allemaal „van het allergrootste belang”. Maar in de discussie over natuur, klimaat en milieubeleid doen volgens Bruyninckx „fabels” de ronde, gebruikt om „politiek garen te spinnen”.

In Brussel is er vooral veel discussie over de zogeheten natuurherstelwet, een vorig jaar gepresenteerd voorstel dat lidstaten verplicht meer natuur te gaan herstellen, ook buiten de bestaande Natura 2000-gebieden. Onder meer Nederland verzet zich fel en vreest een ‘stikstofprobleem 2.0’ waarin geen vergunning meer mogelijk is.

Landen als Nederland worstelen al met bestaande Natura 2000-gebieden. Begrijpt u dat ze vrezen voor een wet die daarbovenop komt?

„Allereerst: er staat nergens in die wet een absolute uitbreiding van beschermde natuur, of dat er nergens meer gebouwd mag worden. Twee: deze wet komt natuurlijk niet uit de lucht vallen. De realiteit is dat bestaande natuurwetgeving onvoldoende is gebleken, dat biodiversiteit sterk achteruitgegaan is, op alle indicatoren. Nu moeten we zeggen: het is serieus. Er zal moeten worden hersteld, want er gaat te veel verloren. En het is een illusie om te denken dat u op 20 procent van het Europese territorium uw biodiversiteit kan redden. Dat is de klassieke aanpak: we zetten een hekje rond de gebieden, we noemen dat natuur, en voor de rest kunnen we doen wat we willen. Maar zo gaan we er niet komen. Door te morrelen in de marge, door wat trager te rijden, kan je een beetje ruimte creëren. Maar uiteindelijk weten we dat dit niet de fundamentele oplossing is. De fundamentele oplossing is te kijken naar hoe we ons voedselsysteem organiseren, ons energiesysteem, ons mobiliteitssysteem, onze bebouwde omgeving. Alles op een manier die de planetaire grenzen respecteert. En die tegelijk maximaal maatschappelijke meerwaarde creëert, zowel economisch, maar vooral ook in levenskwaliteit.”

NRC

Previous

Next