Home

‘Toen ik hem naar me toe draaide, zag ik dat zijn gezicht en handen verbrand waren. Overal hingen vellen’

‘Ronald was een bijzonder fijne collega. Hij werkt helaas niet meer voor de politie, hij geeft nu trainingen als coach, geloof ik. Hij was heel beschouwend, heel evenwichtig. Ik was nog jong, mijn dagen waren gewoon werken, sportief zijn, goed op mijn voeding letten. Bij een melding was ik van de korte klap, snel afhandelen. Maar Ronald vroeg altijd door: ‘Hoe komt het dat u in deze situatie bent beland?’ Hij bood altijd inzichten.

‘Op een dag moesten we samen ‘naar een wietlucht in een flat’. Nou, ga in een flat maar eens een wietlucht opsporen – we moesten er eigenlijk om lachen. We parkeerden onze dienstauto voor die enorme flat en namen de lift naar de zesde verdieping, dat was zo’n beetje in het midden.

Over de auteur
Wil Thijssen is politie- en justitieverslaggever van de Volkskrant. Zij schrijft wekelijks de politieserie Die ene melding. Eerder was zij economieredacteur en reisjournalist.

‘Terwijl we over de galerij liepen, keken we naar alle woningen: wat ruiken we? Wat zien we? Zijn er verdachte omstandigheden? Bij een woning halverwege de galerij zei Ronald: ‘Dit klopt niet.’ Ik had precies hetzelfde gevoel. De gordijnen waren dicht, binnen brandde licht, je kon nergens naar binnen kijken. Er was geen brievenbus en het glas naast de voordeur was afgeplakt met karton.

‘‘Deze woning moeten we checken’, zei Ronald. We spraken af dat we eerst bij de buren zouden aanbellen. De buurvrouw deed open en liet ons vanaf haar balkon aan de achterzijde naar de buren kijken. Ronald en ik zagen dat er iemand zat, we konden niet zien of het een man of een vrouw was.

‘Toen de buurvrouw haar achterdeur weer dichttrok, klonk er een verschrikkelijk harde, oorverdovende knal. Ik dook achter Ronald en schoot van schrik in de lach, ik dacht dat ze haar deur kapot had getrokken. Maar toen ik opkeek was haar achterdeur nog heel.

‘Meteen ging Ronald het balkon weer op en rende ik naar de voorkant. Daar zag ik iemand uit het naastgelegen huis wegrennen richting het trappenhuis. Ik rende erachteraan. Pas toen ik, in het Engels, ‘Stop! Police!’ riep, bleef hij staan. Ik greep hem bij zijn schouders en toen ik hem naar me toe draaide, zag ik dat zijn gezicht en handen verbrand waren. Overal hingen vellen. Zijn bloes plakte vast aan zijn armen.

‘Ik zei: ‘Come with me, I’ll help you’ en vroeg via de portofoon om versterking en een ambulance. Ik liep met die man terug naar zijn buurvrouw en vroeg of we haar douche mochten gebruiken. Zij zette daar twee krukjes neer, en daarop gingen we zitten terwijl ik met mijn hand voorzichtig lauw water over zijn brandwonden sprenkelde, zoals we op de politieschool hebben geleerd. Terwijl ik dat deed, zag ik dat zijn benen ook waren verbrand. Zijn joggingbroek zat aan zijn vel vastgeplakt. De man was stil, ik denk dat hij in shock was.

‘Ineens kwam onze chef binnen, die op de melding was afgekomen. Hij zei: ‘Zo, jij hebt wel geluk gehad, hè?’ Maar ik wist nog steeds niet wat er was gebeurd.

‘Vervolgens kwam Ronald binnen met een man die ook was verbrand, en bij wie een groot, puntig stuk glas uit zijn been stak. Ronald vertelde dat er een xtc-lab was ontploft. De explosie had het raam aan de achterzijde eruit geblazen. Zijn arrestant was door het raam gesprongen en sprong weer terug toen hij Ronald zag, daarbij kwam de glasscherf in zijn been. Ronald achtervolgde hem door de woning om hem aan te houden. Daarbij zag hij grote blauwe vaten met chemicaliën staan.

‘‘Het was onze tijd nog niet’, zei Ronald. Dat was zo’n typische Ronald-opmerking. Ineens realiseerde ik me dat het maar een fractie had gescheeld of wij waren precies op het moment van de ontploffing in die woning geweest. Maar doordat Ronald dat zo rustig zei, hield ik er geen angst aan over.

‘Die mannen waren erg toegetakeld en de man die ik had verzorgd, heeft met derdegraads brandwonden in het Brandwondencentrum in Beverwijk gelegen. Dat had ons dus ook kunnen overkomen.

‘Sindsdien ben ik alerter. Als je bekijkt wat ik als wijkagent doe; ik ben altijd in m’n eentje op straat en bel altijd overal meteen aan als er iets is. Maar als mijn onderbuikgevoel zegt dat ergens iets niet klopt, ga ik eerst op onderzoek uit. Dat onderbuikgevoel kun je niet beredeneren, politiemensen hebben een antenne voor onraad, daar zijn wij in getraind. Wij kijken anders dan gewone mensen: hoe kijkt iemand, wat is de lichaamshouding van die persoon? Wat lees je af uit de omgeving?

‘Dus achteraf denk ik dat het toch geen toeval was dat Ronald en ik eerst bij die buurvrouw aanbelden. Dat was een gevoel: niet meteen hier naar binnen, eerst even hiernaast aanbellen. Stel je voor dat we dat niet hadden gedaan… Ik moet er niet aan denken.’

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next