Op de zonnige markt slenterde ik achter een jong gezin: vader, moeder en een zoontje. Het kind stond zo abrupt stil bij een kraam dat ik bijna tegen hem opbotste. Een snoepkraam, dacht ik, maar bij aandachtiger beschouwing bleek het niet om perendrups en kaneelkussentjes te gaan, maar om kleurige mineralen en halfedelstenen, tientallen soorten, in kleine brokjes en hompjes. 4 euro per stuk.
Met grote ogen bekeek het kind de stenen. Hij was een jaar of 8 en had een blond, kogelrond hoofdje dat zeer onlangs kort was opgeschoren, met een kuifje, waardoor hij op een vers radijsje leek. Zijn ouders keken elkaar boven dat hoofdje veelbetekenend aan, met een blik van ‘daar gáán we weer’.
‘Je mag er één uitzoeken, vriend’, zei de vader. ‘Eén.’ Hij had hetzelfde kapsel als zijn zoon, maar hem stond het beduidend minder ontroerend. De moeder, in een paars gevlamde tuniek, had de neerwaarts vertrokken streepmond van iemand die niets meer van het leven verwacht dan de voortzetting van een reeks desillusies.
Het kind pakte een stuk kwarts en bekeek het ingespannen. Vervolgens hield hij het bij zijn oor en maakte met dichtgeknepen ogen een neuriënd geluid. ‘Effe normaal doen, Mitch’, zei de moeder. ‘Vind je die mooi? Wil je die?’
Het kind greep nu een groene steen, helder als glas. Weer hield hij hem bij zijn oor, met zijn ogen dicht. ‘Normáál doen, vriend’, zei de vader waarschuwend. ‘Die stenen maken geen geluid. Wil je die groene? We hebben niet de hele dag de tijd.’
Het kind zei niets. Hij legde de groene steen terug en pakte een zwart, glanzend stukje onyx. ‘Die heb je thuis al’, zei de moeder. Het kind schudde zijn hoofd, hield ook deze steen bij zijn oor. ‘Die is anders’, zei hij, schor maar stellig. Weer keken de ouders elkaar boven zijn hoofdje moedeloos aan, en vervolgens een beetje angstig naar mij.
‘Mitch’, zuchtte de vader, ‘die stenen maken geen geluid. Het zijn sténen.’ En de moeder pleitte : ‘Kijk, deze is mooi, Mitch. Net een rijst-met-krentenhond!’ Ze wees op een wit steentje met spikkels. Het jongetje schudde zijn hoofd. ‘Deze’, zei hij stellig, het zwarte steentje in zijn vuist geklemd.
‘Maar die heb je dus al’, zei de vader. Het jongetje kneep zijn ogen stijf dicht. ‘Normaal doen, Mitch!’, sprak de moeder schril. De vader greep de kinderhand, wrikte de steen eruit, smeet die terug in de kraam en trok zijn zoon ruw mee.
De moeder dribbelde er haastig achteraan. Ze wierp me achterom nog een verontschuldigende blik toe en riep: ‘Hij móét het leren, hè. Normaal doen.’
Source: Volkskrant