Home

De ‘slechtste roman ooit’ (★) is adembenemend vertaald door Robbert-Jan Henkes (★★★★★)

De slechtste schrijver ter wereld, bestaat die? In een kleine maar gereputeerde literaire kring wel. Mark Twain, Aldous Huxley, Siegfried Sassoon en Flann O’Brien waren allen de mening toegedaan dat die twijfelachtige eretitel toekomt aan de Ierse auteur Amanda McKittrick Ros (1860-1939). Zij publiceerde in 1897 de roman Irene Iddesleigh. Of om preciezer te zijn: haar echtgenoot, stationschef Andrew Ross (met dubbel s), liet het boek privé drukken als cadeautje voor hun tienjarig huwelijk.

Toen iemand een exemplaar stuurde naar de Britse publicist en humorist Barry Pain, constateerde deze dat hier sprake was van ‘het Boek van de Eeuw’, niet omdat het zo goed was, maar omdat het zo onwaarschijnlijk slecht was.

Over de auteur
Hans Bouman schrijft voor de Volkskrant over boeken en richt zich met name op literatuur en auteurs uit het Engelse taalgebied.

Gelukkig was die eeuw snel voorbij, maar Irene Iddesleigh bleef de gemoederen bezighouden. Bovengenoemde auteurs lieten zich op uiteenlopende wijze laatdunkend uit over de roman, een literair gezelschap rond J.R.R. Tolkien en C.S. Lewis hield wedstrijden wie het langst uit Ros kon voorlezen zonder in de lach te schieten. De Oxford Companion to Irish Literature noemt haar werk ‘uniquely dreadful’ en in Nederland besteedden Rudy Kousbroek en Gerrit Komrij verbijsterde aandacht aan de auteur.

Wat had die arme Amanda Ros in vredesnaam gedaan om zo veel hoon te verdienen? Dat kan de Nederlandse lezer nu zelf uitmaken, met dank aan Robbert-Jan Henkes. Samen met Erik Bindervoet vertaalde hij onder meer werk van James Joyce, inclusief het onvertaalbaar geachte Finnegans Wake. Ook Irene Iddesleigh behoort tot de categorie onvertaalbaar, zo oordeelden Kousbroek en Komrij. Moet je niet tegen Henkes of Bindervoet zeggen.

Het verdient aanbeveling Henkes’ nawoord te lezen voor men aan de roman zelf begint. Hierin gaat hij uitvoerig in op Ros’ stilistische eigenaardigheden, die haar zo’n beroerde reputatie hebben opgeleverd en die voor hemzelf zo’n onweerstaanbare uitdaging vormden. Om te beginnen heeft ze een onstuitbare alliteratiedrift, die zich meteen al in de titel manifesteert. Daarnaast beschikt ze over een feilloos gevoel voor het verkeerde woord op de verkeerde plaats, is haar zinsbouw geregeld volstrekt onbegrijpelijk en grossiert ze in ontspoorde zinnen. Maar het allerergst is misschien wel de dodelijke ernst waarmee ze alles aan het papier toevertrouwt. Onbedoeld grappig zijn: pijnlijker kan haast niet.

Valt de roman, na zo veel waarschuwende woorden, eigenlijk nog wel mee? Hoofdstuk 2 opent aldus: ‘De decemberzon had haar doffe stralen verborgen achter de immense rotspartijen die monsterlijk hoog ten westen van Dunfern Mansion oprezen en was opgehouden het magnifieke vertrek te verblijden waarin Sir John het grootste deel van de dag vertoefde.’

Dat zijn veel woorden voor een ondergaande zon, maar het is te volgen. Om zover te komen heb je je dan wel door het eerste hoofdstuk heen moeten bijten: ‘Leef met mij mee, voorwaar! Maar nee! Stort je medeleven op de kille golven der woelige wateren; werp haar op de oasen van toekomstigheid; smijt haar stuk tegen de rotsen der roddel; of beter nog, laat haar liggen in de valse en verraderlijke boezem van die begraven hoon.’

Wanneer Amanda Ros van Amsterdam naar Utrecht reist, gaat dat bij voorkeur via de Afsluitdijk. Ogen zijn bij haar ‘bollen van verbinding’, zweet wordt ‘kogeltjes vloeibaar lava’, een broek heet een ‘zuidelijke noodzakelijkheid’, een witte hand of jurk is ‘sneeuwig’, tanden zijn ‘gele bruikbaarheden’, de zon – daar hebben we hem weer – is een ‘bol van blijdschap’ die een ‘hartverwond huis’ verlicht en zijn ‘wekkende werking aanwendt tegen de forse forten van fanatisme en verlichte velden van vrijheid tot een gevoel van klatergouden verrassing’.

Wie zich door dit proza een weg weet te banen, ontwaart een plot die zou je kunnen vergelijken met de melodramatische 18de-/19de-eeuwse romans van Ann Radcliffe en Horace Walpole. Weesmeisje Irene is verliefd op haar huisleraar Oscar, maar moet trouwen met een aristocraat tegen wie ze zich dermate onuitstaanbaar gedraagt dat hij haar opsluit. Oscar bevrijdt haar, de twee trouwen, maar Oscar raakt aan de drank en laat haar in de steek. Dat werk.

Ondanks de eenstemmige hoon die Ros ten deel viel, lijkt ze geen moment te hebben getwijfeld aan haar eigen genialiteit. Ze droomde van de Nobelprijs en meende over duizend jaar nog te worden gelezen. Tegelijk beweerde ze Irene Iddesleigh tussen haar 12de en 15de te hebben geschreven en nadien nauwelijks te hebben aangepast. Maar ze beweerde wel meer dat aantoonbaar uit de duim gezogen was.

Je kunt veel over Amanda McKittrick Ros zeggen, maar in haar eigenzinnigheid was ze absoluut een te respecteren original. Haar lezen is literaire zelfkastijding, maar kennis van haar nemen is dankzij Robbert-Jan Henkes afwisselend een adembenemend en akelig angstaanjagend avontuur.

Amanda McKittrick Ros: Irene Iddesleigh. Uit het Engels vertaald en van een nawoord voorzien door Robbert-Jan Henkes. Vleugels; 160 pagina’s; € 26,90. ★☆☆☆☆ (boek) ★★★★★ (vertaling)

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next