‘Ik ben decennialang actief geweest als criticus en essayist. Toen ik in 2006 een boek publiceerde over Michael Jackson, markeerde dat een transitie in mijn schrijverschap. Jackson was zo’n gecompliceerde en problematische figuur dat ik hem niet op een evenwichtige manier als een neutrale criticus kon benaderen. Ik wist dat ik allerlei complexe en tegenstrijdige gevoelens had ten opzichte van hem en dat ik die ook in mijn boek zou moeten meenemen. Het boek moest, met andere woorden, niet alleen over Michael Jackson gaan, maar ook over mij. Op dat moment realiseerde ik me dat ik ooit een boek over mijzelf zou gaan schrijven.’
Margo Jefferson (1947) is sinds de jaren zeventig een van Amerika’s meest gerenommeerde essayisten en critici. Ze schreef voor media als Newsweek en The New York Times, werd voor haar werk bekroond met een Pulitzerprijs en doceert creative writing aan Columbia University. Maar ze werd vooral bekend door de publicatie van dat ‘boek over zichzelf’: het in 2015 verschenen Negroland. Haar nieuwe boek, dat deze week in Nederlandse vertaling verschijnt onder de titel Het bouwen van een zenuwstelsel, is wederom een memoir.
‘In de tijd van Negroland begon ik te beseffen dat de wereld die mij had gevormd aan het verdwijnen was: mijn ouders, familieleden, die generatie was aan het uitsterven en daarmee ook de cultuur waarvan zij deel uitmaakten en die zij belichaamden. Het was dan ook mijn bedoeling om met Negroland een culturele memoir te schrijven. De cultuur waarin ik ben opgegroeid en die mij heeft gevormd. Je cultuur is net zo belangrijk als je persoonlijkheid en familie.’
Jefferson groeide op in de keurige wijk Hyde Park in Chicago, te midden van veelal witte buurtbewoners. Zij en haar drie jaar oudere (in 2010 overleden) zus Denise gingen naar goede, witte scholen die progressief genoeg waren om ook enkele zwarte leerlingen aan te nemen. Het gezin Jefferson behoorde tot de zwarte elite en beschouwde zichzelf als onderdeel van het Derde Ras, dat zich ergens tussen de meeste andere zwarte en alle witte mensen bevond.
Sommigen van hen, van wie de huidskleur licht genoeg was, kregen de mogelijkheid om een wit bestaan te leiden. Dat kon serieuze gevolgen hebben voor de rest van je leven en loopbaan. In Negroland vertelt Jefferson over haar oudoom Julius, die besloot zijn zwarte achtergrond te ontkennen. In Het bouwen van een zenuwstelsel schrijft ze over actrice Janice Kingslow, die van Hollywood in 1950 een droomcontract kreeg aangeboden. Maar wel op één voorwaarde: dat ze voortaan voor wit doorging.
‘In mijn gedachten had ik die twee nog niet aan elkaar gepaard, maar je hebt gelijk. Oom Julius koos voor een ‘wit’ bestaan en nam pas weer zijn intrek in Negroland toen hij met pensioen ging.
‘Janice Kingslow weigerde een witte actrice te worden. ‘Wat heb ik aan geld en roem als ik mijzelf kwijtraak?’, schreef ze. Hollywood liet haar vallen als een baksteen. Kingslow was al halverwege de jaren vijftig vrijwel van het toneel verdwenen.’
‘Wij waren ons er zeer van bewust dat de witte buitenwereld ons scherp in de gaten hield. Het cliché wilde dat zwarte vrouwen uitgesproken sensueel waren en daarnaast geschikt waren voor zwaar werk. Dat wij intellectueel of kunstzinnig zouden kunnen zijn, was totaal ondenkbaar. Als reactie daarop deden we ons uiterste best om zo ver mogelijk weg te blijven van alle clichés over zwarten. Zoals ik in Negroland schrijf: ik heb geleerd me te onderscheiden in declameren, niet in proclameren. Ik heb geleerd uit te blinken in prestaties en goede manieren, niet door me op de voorgrond te dringen. Als je ergens goed in was, moest dat op zo’n manier gebeuren dat dit je hele familie ten goede kwam, je kennissen, in feite alle zwarten.’
‘Haha, zeker, als recensent mocht ik mij wél op de voorgrond dringen, want dan is het ten behoeve van een hoger doel, namelijk het kunstwerk dat je recenseert. Als criticus bepaal je criteria, geef je je oordeel over wat volgens jou goed is en wat slecht. Dat was precies wat witte mensen gedurende mijn hele jeugd voor ons hadden bepaald, dus het was geweldig bevrijdend om dat nu zelf te kunnen doen.
‘Het hielp ontzettend dat, toen ik mijn loopbaan begon, de bestaande canons op het gebied van literatuur, muziek en kunst geweldig aan het veranderen waren. Ineens werden er ook schrijvers uit ontwikkelingslanden gelezen, werden rock-’n-roll, soul en jazz serieus genomen – ik voelde dat ik deel was van deze ontwikkeling.’
‘Na Negroland zeiden veel mensen in mijn omgeving: schrijf een tweede deel. Maar dat wilde ik niet. Voor een nieuw boek wilde ik een nieuwe benadering. Ik was tot het besef gekomen dat alles waarmee je in je leven wordt geconfronteerd deel gaat uitmaken van je persoonlijke cultuur, je psyche. Van een beroemd kunstwerk tot een regel uit een liedje. Ze zijn in dat opzicht net zo relevant als de ouders bij wie je bent opgegroeid, de stad waarin je woont, de sociale klasse waartoe je behoort, je religie, je gender, je seksuele voorkeur, je huidskleur.’
‘Ik heb altijd een beetje als een ekster gewerkt en ben sterk associatief ingesteld. Als ik een boek lees, komen er onmiddellijk associaties met andere boeken in mij op, maar bijvoorbeeld ook liedjes en andere kunstwerken. Vervolgens ga ik nader onderzoek doen en combineer ik de diverse onderdelen met elkaar. In dat proces ontdek ik wat ik werkelijk van een kunstwerk vind.
‘Dan vind ik parallellen tussen een vrouwelijke witte Engelse schrijver als George Eliot (1819-1880) en een mannelijke zwarte Amerikaanse denker en mensenrechtenactivist als W.E.B. du Bois (1868-1963). In mijn boek laat ik ze, aan de hand van citaten uit hun werk, een conversatie voeren als gelijkgestemde geesten.
‘Het levensverhaal van de zwarte pianist Bud Powell hielp mij om mijn vader beter te begrijpen, zijn melancholie, zijn afzondering. Uiteraard ontdekte ik ook dingen over mijzelf. Hoe het leven en werk van pianist Bud Powell mij uit mijn evenwicht brachten en verontrustten, hoe de zang van Ella Fitzgerald mij troostte.
‘Na het lezen van een boek, het aanschouwen van een kunstwerk, het luisteren naar een muziekstuk ben je niet meer dezelfde persoon. Je bent rijker, complexer.’
‘Precies: emotioneel, psychologisch, zintuiglijk en intellectueel. Ik wilde mijn ervaringen met mensen als Josephine Baker, Willa Cather, Bud Powell en Ella Fitzgerald net zo intiem maken als de manier waarop ik in Negroland schreef over mijn vader, moeder en zus. Toen ik Negroland schreef, realiseerde ik mij dat het deel van mij dat criticus is van andermans werk, cruciaal is voor mijn identiteit. Mijn conclusie was vervolgens dat ik mijn vermogen om een kunstwerk aan een kritische analyse te onderwerpen ook op mijzelf moest toepassen.
‘Bij boeken, films, toneelstukken kun je je telkens afvragen: is de maker hier eerlijk en oprecht? Is er sprake van een verborgen agenda? Die vragen zijn ook van toepassing op mijzelf, dus die stel ik in Het bouwen van een zenuwstelsel. In dit boek probeer ik duidelijk te maken hoe mijn meningen over allerlei zaken tot stand zijn gekomen, leg ik mijzelf bloot. Het klinkt onbaatzuchtiger dan ik het bedoel, maar de achterliggende gedachte is ook dat mijn lezers me iets meer zouden vertrouwen als ik ze duidelijk kon maken hoe mijn oordelen tot stand zijn gekomen.’
Dat proces uit zich in Jeffersons boek onder meer in de bijzondere schrijfstijl. Ze formuleert, herformuleert, komt terug op eerdere conclusies. Een Amerikaanse criticus noemde het ‘thinking in realtime’. Jefferson wisselt de eerste, tweede en derde persoon met elkaar af en doorspekt haar tekst met citaten van schrijvers en kunstenaars die invloed op haar denken hebben gehad, met citaten die cursief of vet worden gedrukt.
‘Ik probeer te schrijven zoals een balletdanser danst: voortdurend in beweging, niet statisch maar dynamisch, maar ik probeer wél overeind te blijven. Ik schrijf wel in een regelmatig ritme, maar stilistisch zit ik in de hoek van de improviserende jazzmusicus. En eerlijk is eerlijk: soms ook als een jazzmusicus die doet alsof zij improviseert. Net als echte jazzmusici soms doen.’
‘Je drukt het vriendelijk uit. Ik ben een nerveus persoon en elke keer dat ik een nieuw onderwerp aansnijd, heb ik grote twijfels of ik de materie wel voldoende begrijp en in staat ben de juiste conclusies te trekken. Of ik wel voldoende grip krijg op mijn onderwerp. Dan ben ik totaal in paniek.’
‘Toen ik als criticus begon, waren de uiterst scrupuleuze en intelligente essays van Ralph Ellison en de prachtig geschreven boekbesprekingen en essays van Virginia Woolf heel belangrijk voor me. En toen ik voor The New York Times over theater ging schrijven, verdiepte ik me in de oude meester George Bernard Shaw.’
‘Zij belichaamde de moed – en tot op zekere hoogte de schaamteloosheid – om risico’s te nemen. Toen ik klein was, in de jaren vijftig, was zij een idool van me. Ik trok me echt aan haar op. In de jaren zestig en zeventig, met de opkomst van de burgerrechtenbeweging en het feminisme, werd ze een heel krachtig symbool.
‘Tijdens de Tweede Wereldoorlog deed ze verzetswerk in de Résistance. Ze nam deel aan de mars naar Washington in 1963, waarbij Martin Luther King zijn befaamde ‘I have a dream’-toespraak hield, en droeg daarbij het uniform van de Vrije Fransen. Ze was een warrior, een strijder. Josephine Baker was en is onweerstaanbaar.’
In He Source: Volkskrant