‘En?’ vroeg de dorpsgenoot die net als ik voor de brug stond te wachten. ‘Huis al verkocht?’ Even daarvoor was de brug die ons dorp verbindt met de buitenwereld voor onze neus opengegaan en nu stonden we te wachten op een plezierboot met de olijke naam Banjer, het teken dat de lente nu toch echt was begonnen – vanaf dit punt wist je dat je tot diep in oktober zeker tien keer te laat ging komen, voor treinen, voor tandartsen, voor alles, alleen al dáárom wilde ik verhuizen, maar ja, dan moest er wel eerst iemand, nou ja, over de brug komen.
De man keek me afwachtend aan. ‘Nog niet’, zei ik opgewekt, en ik voegde eraan toe dat we gewoon rustig zouden afwachten, de zomer kwam eraan, dan ziet alles er altijd leuker uit, komt goed, want ik was onderhand moe geworden van mijn eigen riedel over prijzen, de markt, onze onhandige timing. De man begon een shaggie te draaien met de rust van iemand die beseft dat er toch niks aan te doen is. ‘Mijn vader zei toentertijd tegen de boekhouder waar-ie werkte, dan heb ik het over de vijftiger jaren: ‘Ik moet effe een briefje hebben dat ik zo- en zoveel verdien.’ Waarop zijn boekhouder zei: ‘Ik vind het prima als je er maar niet om komt.’ Nou, toen kon-ie het huis kopen dat-ie hebben wou. Hij was huismeester bij zo’n dure flat, dat heeft hij tot zijn 65ste volgehouden.’ Glimlachend: ‘Maar dat salaris heb-ie nooit gekregen.’
Op de Banjer maakte een man met een sigaar in zijn mond aanstalten om te gaan varen, zijn vrouw keek over zijn schouder mee. Een wit klein hondje drentelde rond op het dek. Schiet op, dacht ik.
De man, onverstoorbaar: ‘Dat kon toen nog gewoon, daar werd helemaal niet naar gekeken. Ja, nú lichten ze je hele doopceel. Maar toen hadden ze nog geen computers, hè? Temminste, die waren d’r wel maar die besloegen een heel gebouw. Dat heb je nu in één zo’n klein dingetje. Mijn zoon noemt me digibeet. Ik vind het wel interessant hoor, wat het allemaal kan, daar gaat het niet om, maar om nou zelf een muziekie te downloaden. Ik heb meer dan achthonderd lp’s staan. En als jij nou tegen mij zegt, je moet er één kiezen, dan zeg ik: It’s all over now. Van The Stones. Die mogen ze draaien als ik dood ben.’ Hij nam een teug. ‘Maar ik ben 71 dus ik heb nog even, voor uw informatie.’
Hij blies uit, precies zoals zo’n man uitblaast, kalm, tevreden, niet te intimideren.
‘Paar jaar geleden hebben we hetgene gedaan wat we altijd al wouwen met z’n tweeën: een maand naar Amerika. Já-ren voor gespaard. Van de Niagara Falls helemaal naar beneden, Florida, Yellow Stone, en toen bij Denver er weer uit. Mag-ni-fiek, echt waar. Die Amerikanen, dat is een warm bad. Ik ben gevoelig voor service. Ik vind: als je service belooft, dan moet je ook service verlenen. En dat hoeft helemaal niet krankzinnig, dat is gewoon de manier waarop je wordt benaderd. Dat de mensen geïnteresseerd in je zijn. Hier kan je een grauw en een snauw krijgen, daar kan ik me weleens boos om maken. Nou, volgens mij mogen we.’
De massa kwam in beweging, als ik nu haast maakte ging ik het halen. De man nam zijn laatste haal vol welbehagen. ‘Weet je wat het is: mijn vader dacht dat hij het uitvond, ík dacht dat ik het uitvond, elke generatie denkt dat-ie het uitvindt. Het geheim is om niet te hoge eisen te stellen. ‘Het leven op waarde genoten’, dat mogen ze straks op mijn steen zetten. Dat betekent dat je binnen de beperkingen die je hebt, tóch van het leven hebt genoten.’
Source: Volkskrant