Home

De belofte is groot, maar is kweekvlees wel zo duurzaam?

Dat kweekvlees diervriendelijker is dan echt vlees, lijdt geen twijfel. Maar is het ook milieuvriendelijker, zoals producenten beweren? Volgens een recent onderzoek is de CO2-uitstoot juist veel groter dan die van rundvlees.

Wordt het nog wat met kweekvlees? De belofte is groot: echt vlees, maar dan uit de fabriek, zonder dat er een dier sterft of de aarde erdoor verder opwarmt. Tien jaar geleden liet de Maastrichtse onderzoeker Mark Post zien dat dit mogelijk moet zijn, met zijn eerste hamburger uit een lab. De vleescellen kwamen uit een levend dier en groeiden daarna verder in een vat. Voor Post mondde de missie uit in het bedrijf Mosa Meat, dat nu een testfabriek heeft geopend en eind dit jaar vlees hoopt te leveren aan Singapore. Het Delftse Meatable wil per 2025 duurzame worstjes gaan kweken, zonder ‘mensen, dieren of de planeet’ te beschadigen.

Maar of kweekvlees inderdaad milieuvriendelijker wordt? Een nieuwe studie van de Universiteit van Californië zet daar vraagtekens bij. Volgens hun zogeheten levenscyclusanalyse (LCA), die nog gekeurd moet worden door andere wetenschappers, komt bij het maken van een pondje labvlees grofweg tien keer meer broeikasgas vrij dan voor dezelfde hoeveelheid rundergehakt uit de veehouderij. Het gaat om zo’n 500 tot 1.500 kilo CO2 per kilo vlees, vergelijkbaar met de uitstoot die elke passagier veroorzaakt met een vliegreis van Amsterdam naar New York.

Opvallend, want kweekvleesproducenten rekenden in wetenschappelijke studies tot nu toe voor dat hun product beter zou zijn voor het milieu dan regulier vlees. Het verschil komt vooral doordat die ramingen gebaseerd zijn op een gunstig toekomstplaatje, zegt Derrick Risner, de Amerikaanse onderzoeker achter de kritische berekening. ‘In feite vroegen onderzoekers voor berekeningen aan bedrijven hoe ze denken in 2030 kweekvlees te zullen produceren. Maar dat is niet hetzelfde als de situatie nu.’

De meeste milieu-impact komt van verborgen bronnen, beargumenteert Risner. Kweekvleesfabrieken bestellen een hele apotheek aan groei- en voedingsstoffen die ze toevoegen aan het vat met dierlijke cellen. Zo komen die sneller op hamburgergewicht. Die groeistoffen vereisen veel energie om te maken en daar komt nu nog broeikasgas bij vrij. Bovendien hebben kweekvleescellen een continue aanvoer van die stoffen nodig, om bijvoorbeeld te voorkomen dat er bacteriën in gaan groeien. Uiteindelijk kost dat volgens Risners berekening dus die tien tot twintig keer meer broeikasgasuitstoot per kilo vlees vergeleken bij traditioneel rundvlees.

Hoeveel energie die zogeheten groeifactoren daadwerkelijk vereisen is niet helemaal duidelijk; fabrikanten delen die getallen niet. Experts schatten dat het inderdaad fors kan zijn. De verwerking van ruwe materialen in fabrieken kost vaak meer energie dan als iets in een dier groeit, zegt duurzaamheidsonderzoeker Roline Broekema van Wageningen Universiteit, niet betrokken bij kweekvleesonderzoek. ‘Of dat hier echt tien keer zo veel is, valt moeilijk te zeggen. Dit soort beweringen zijn altijd gebaseerd op ongunstige en gunstige scenario’s, dus het kan ook meevallen. Dat is wel een belangrijke nuance.’

In een reactie mailt celbioloog Joshua Flack van kweekvleesproducent Mosa Meat niet te kunnen vertellen hoeveel milieu-impact hun kweekvlees precies heeft. Wel schrijft hij te herkennen dat de hulpstoffen van zogeheten farmaceutische kwaliteit een onwenselijke klimaatafdruk hebben. ‘Een grote stap waarmee we nu bezig zijn, is dat we afstand nemen van complexe stoffen, die ook nog eens duur zijn, naar eenvoudigere stoffen die drastisch onze voetafdruk zullen verkleinen.’

Het bedrijf zegt dicht bij een soortgelijke doorbraak te zijn met groeistoffen. Die wil het doorontwikkelen samen met diervoederproducent Nutreco, zeggen de bedrijven in een gezamenlijke intentieverklaring.

Met andere groeifactoren in het vooruitzicht zegt Flack daarom de analyse van Risner ‘scheef’ te vinden. ‘Het is appels met peren vergelijken. De industriële veehouderij bestaat al honderd jaar en kweekvlees begint pas net.’ Kweekvlees ontwikkelt zich zo snel, vindt het bedrijf, dat Risners conclusies in de nabije toekomst al niet meer zullen kloppen. Dat geldt ook voor andere kritiek die Mosa Meat te horen kreeg. Het bedrijf had eerst nog bloedcellen nodig van ongeboren kalveren voor de hamburgers, maar inmiddels lukt het zonder.

Risner wil best geloven dat de toekomst verbeteringen zal brengen, maar vindt het te makkelijk om daarop te vertrouwen. ‘Je moet ook kunnen aantonen waar je nu staat. Dan zie je wat elke stap oplevert aan verbetering. In dit geval zou je dan bijvoorbeeld eerst de hoge energiekosten van die groeifactoren in het laboratorium oplossen, voordat je al meteen op grote schaal in fabrieken kweekvlees begint te maken.’ Als de eerste kweekvleesburgers op de markt verschijnen met behulp van milieuvervuilende hulpstoffen, wil Risner maar zeggen, zullen die het tegenovergestelde van duurzaam zijn.

Het kan verkeren. Mits de kaarten voor kweekvlees gunstig vallen, wordt de productie ervan in de toekomst toch duurzamer dan die van regulier vlees, aldus een recent rapport van Wageningen Universiteit. Dan moet er vooral meer elektriciteit worden opgewekt uit groene energie, zoals windmolens en zonnepanelen. Dat dempt de klimaatafdruk van de groeistoffen die veel elektriciteit vergen. Een groene slag zou ook gunstig zijn voor de klimaatimpact van de kweekvleesfabriek zelf; de cellen moeten op precies de juiste temperatuur ronddobberen, en ook daarvoor is veel stroom nodig. Daarmee komen kweekvleesfabrieken op dezelfde wenslijst van groene energie te staan als elektrische auto’s en datacenters.

Overigens mag kweekvlees nog niet worden verkocht in Europa, ook niet als de testfabriek van Mosa Meat dit jaar op volle toeren draait. De voedselveiligheidswetten staan nog niet op papier, stelt kweekvleeslobbygroep Good Food Institute. In Singapore is dat anders: daar eten mensen al sinds 2020 kweekkip.

Vijf vragen over vleesvervangers

Wat zijn goede vleesvervangers?
Wie geen vlees wil eten heeft tegenwoordig keus genoeg. Om te beginnen kun je nog altijd ‘ouderwets’ vegetarisch eten. Dan eet je naast groente nog wel dierlijke producten, zoals kaas en eieren.

Wie zo min mogelijk dierlijke producten wil eten, kan beter plantaardige vleesvervangers gebruiken. Dat zijn bijvoorbeeld eiwitrijke groenten, zoals peulvruchten of noten. Dat soort groenten zitten vaak ook verwerkt in plantaardige vleesvervangers die qua smaak en textuur op echt vlees moeten lijken, zoals kant-en-klare vegaburgers of ‘kipstukjes’.

Hoe gezond zijn plantaardige vleesvervangers?
Belangrijke voedingsstoffen, zoals vitamine B12 en voldoende ijzer, kun je als vegetariër prima binnen krijgen met eieren en zuivel. Maar die zijn toch weer afkomstig van dieren in de veehouderij.

Wie ook zonder boter, kaas en eieren wil leven, zal die voedingsstoffen dus ergens anders vandaan moeten halen. Daarom bevatten plantaardige vleesvervangers zoals nepkip, -worstjes en -hamburgers vaak een scheutje extra ijzer en B12. Dus wie daarop let, komt niets tekort.

Een nadeel van de kant-en-klare vleesvervangers is dat de fabrikanten er van alles in stoppen voor de smaak. Vooral te veel zout komt vaak voor, concludeerde de Consumentenbond onlangs nog. Het Voedingscentrum heeft de minst zoute vleesvervangers op een rijtje gezet.

Hoe duurzaam zijn die vleesvervangers?
De plantaardige vleesvervangers in Nederland zijn meestal veel duurzamer dan bijvoorbeeld een biefstuk qua CO2-uitstoot, aldus onderzoek van Bureau Blonk in opdracht van de Consumentenbond. Dat komt doordat vleeskoeien vaak soja uit onder meer de Amazone gevoerd krijgen, waarvoor regenwoud is gekapt, en doordat koeien broeikasgasscheten en -boeren laten.

Vleesvervangers geheel op basis van planten zijn daarom in de regel milieuvriendelijker. Wel worden vegetarische burgers en andere vleesvervangers in fabrieken gemaakt die energie nodig hebben. Maar de totale impact daarvan is ook kleiner dan die van regulier vlees.

Kunnen vleesvervangers beter?
Niet alle vleesvervangers zijn duurzaam of supergezond (denk aan het zout). Vleesvervangers waar nog altijd dierlijke producten zoals melk in zitten – zoals sommige vegetarische schnitzels – zijn bijvoorbeeld relatief slecht voor het milieu. Voor elke liter melk is bovendien nog eens 1.000 liter water nodig.

Soms zit er geconcentreerd kippenei-eiwit in zo’n vegetarische burger om die structuur te geven. In extreme gevallen is zo’n vegetarische vleesvervanger daardoor zelfs slechter qua broeikasgas-uitstoot dan bijvoorbeeld een stukje kip of varkensvlees, Source: Volkskrant

Previous

Next