‘Je zou met gemak over alle afzonderlijke planten een boek kunnen schrijven’, zegt Norbert Peeters. Logisch misschien: hij is ‘botanisch filosoof’ (aan de Universiteit Leiden). Hij geeft onmiddellijk toe dat niet elke aflevering van Lord of the Rings-achtige proportie zou zijn, maar toch: ‘Ik ken géén oninteressante plant.’
Peeters keek dan ook niet vreemd op van de Flora Batava uit 1800, de eerste wetenschappelijke inventarisatie in woord én beeld van het inheemse plantenrijk. Niemand had toen kunnen bevroeden dat de 2.632 beschreven soorten zouden uitmonden in een project van 461 afleveringen, waarvan het laatste deel (besloten met de duinstinkzwam) pas uitkwam in 1934.
Gebundeld stonden er toen 28 delen op de boekenplank, met 2.240 paginagrote, (hand)gekleurde platen en ruim 5.000 pagina’s tekst. In totaal hebben tientallen redacteuren, vertalers, tekenaars, graveurs, inkleurders en vier uitgeefhuizen meegewerkt.
Over de auteur
Jean-Pierre Geelen is redacteur natuur & biodiversiteit van de Volkskrant. Hij schreef onder meer het boek Blinde Vink, hoe ik vogels leerde kijken.
Aan Peeters de taak om – samen met collega-hoofdredacteur Esther van Gelder, conservator oude boeken van KB, nationale bibliotheek, die het initiatief nam en de boeken op de plank had staan – de monumentale Flora Batava te comprimeren tot een toegankelijker uitgave. Op 1 juni verschijnt een facsimile van 910 pagina’s. Daarin staan alle oude prenten verkleind tot briefkaartformaat, aangevuld met bijdragen van 65 wetenschappers en natuurschrijvers over honderd ‘iconische’ soorten, waarvan de oorspronkelijke platen en teksten op ware grootte zijn afgebeeld.
Mooi en leuk voor liefhebbers van planten, oude prenten en boeken. Maar heeft zo’n werk nog betekenis in deze rap veranderende wereld? ‘De Flora Batava wordt door floristen en onderzoekers nog best vaak gebruikt’, zegt Peeters. ‘De gegevens zijn opgenomen in de moderne digitale verspreidingsatlas, waarin floristen op professionelere wijze verspreidingsgebieden en andere gegevens bijhouden. Maar hiermee is dat dus allemaal begonnen.’
De kleurenprenten zijn een kunst op zich, al waren ze nooit zo bedoeld. Om de hele levenscyclus, inclusief blad, bloem, vrucht of kegel en zaden te illustreren, moesten illustratoren meermaals terug, een tijdrovende klus. Exacte kopieën waren het niet: de kunstenaars en wetenschappers kozen zorgvuldig een compositie die de onderscheidende kenmerken benadrukte.
Daarin vertoont de Flora Batava overeenkomst met dat andere standaardwerk over de vaderlandse natuur: de Nederlandsche vogelen door Nozeman en Sepp (ook de uitgever van de Flora Batava), die eind 18de eeuw het gehele inheemse vogelrijk in beeld brachten. Ze schuwden niet vogels in onnatuurlijke houdingen te dwingen, om binnen de kaders van het boek te blijven. De heruitgave uit 2014 werd een hit: het is op vele koffietafels terug te vinden.
De teksten van ‘de Flora’ zijn nog altijd een belangrijke informatiebron voor biodiversiteitsonderzoek, schrijft Anneke Groen, curator Speciale Collecties bij Wageningen Universiteit, waar zo’n duizend originele platen worden bewaard (en deze maanden tentoongesteld). In haar stuk over de snijbiet wijst ze op het shifting baseline syndrome: het verschuiven van onze perceptie van natuur doordat elke generatie kampt met een gebrek aan actieve herinneringen aan de toestand van vroeger.
‘Historische publicaties zoals de Flora Batava bieden de mogelijkheid verbanden te leggen tussen historische informatie en recente ontwikkelingen en inzichten’, schrijft Groen. Zie de zeebiet: die werd in 1814, toen die in de Flora geschreven werd, gevonden in het Amsterdamse Zeeburg en in Hellevoetsluis. Nu zijn daarvan geen recente waarnemingen meer gedaan; mogelijk als gevolg van verzoeting van deze gebieden heeft de plant zich verplaatst naar kustgebied. Groen: ‘Stel je eens voor dat je dit soort informatie gestructureerd uit de 28 delen van de Flora Batava zou kunnen halen. Wat een schat aan gegevens zou dit opleveren voor actueel biodiversiteitsonderzoek!’
Zie de tijd veranderen in de bijdrage van hoofdredacteur Esther van Gelder over de vogelwikke, een plantje dat haar vader zijn jonge dochter toonde: de opengevouwen bloem vormt ‘een piepklein vogeltje, met een bol kopje, een snaveltje en vleugeltjes aan weerszijden van zijn lijf’. In de Flora Batava werd het plantje vooral beschreven als nuttig voor landbouwers. Van Gelder: ‘Met de opkomst van kunstmest en later, rond de laatste eeuwwisseling, van krachtvoer verdwijnt het gebruik van wikke in de landbouw. Alleen biologische boeren die volgens de principes van de kringlooplandbouw werken, kennen de eigenschappen van voederwikke en haar familieleden. En zo opent die bekende, bescheiden vogelwikke hele werelden, van de zomerse fietstochten uit mijn jeugd tot verdwenen boerenkennis en de beloftes van de kringlooplandbouw.’
Met die nieuwe kijk op het oude plantenrijk leer je nog eens wat. Wisten wij dat de waterplant gele plomp niet alleen eetbaar is, maar net als de witte waterlelie ook de stof nupharine bevat, met hallucinogene eigenschappen als morfine? Voormalig KB-conservator Marieke van Delft schrijft erover: ‘De plant, met name de witte waterlelie, wordt heden ten dage verkocht vanwege de hallucinerende, verdovende én euforische werking’, weet Van Delft. ‘Iets dat de eerste redacteur van de Flora, Jan Kops, niet wist of liever niet besprak.’
De bijdrage van etnobotanicus Nele Odeur over de brandnetel prikkelt de nieuwsgierigheid. Die plant wordt ook gebruikt bij urticatie, een oude therapie tegen reumatische pijn; de pijnlijke plekken werden ingesmeerd met brandnetel. Odeur: ‘Sommige mensen schijnen urticatie van de geslachtsdelen ‘prikkelend’ te vinden. Pijn en plezier liggen soms dicht bij elkaar.’
Bladerend door de Flora Batava zien Peeters en Van Gelder een interessante tournure: de eerste redacteur Jan Kops legde de nadruk op het nut van wilde planten, vooral voor de landbouw. Zijn opvolger, Frederik-Willem van Eeden (vader van de schrijver Frederik van Eeden), was meer van de romantische kijk en ging planten niet enkel waarderen om hun nut, maar als interessante organismen. Dat is ook de kijk van de initiatiefnemers, die met deze heruitgave nieuwe ‘plantenvrienden’ willen kweken. Kansrijk, volgens hen, want Nederlanders zijn net als de Britten dol op bloemen en planten. ‘Daarom zijn we internationaal bekend als bloemenkwekers.’
De wilde flora is hun lief. Al ziet Peeters nog weleens wat hij noemt de ‘tuinierstendens’: ‘Er wordt veel ingezaaid en aangeplant, met de beste bedoelingen, bijvoorbeeld omdat het slecht gaat met bestuivers. Dat gaat vaak ten koste van de spontane natuur, de wilde flora.’ In Leiden, waar hij woont, ziet hij de muurleeuwenbek, de gele plomp, waterlelies. ‘Al die mossen en korstmossen in de stad: die zijn door niemand aangeplant; ik vind ze mooi.’
Of neem de ronde zonnedauw: ‘Zo’n vleesetertje vind ik altijd tot de verbeelding spreken, ook omdat een vleesetende plant zo’n evolutionair foutje lijkt. Fascinerend hoe die de rollen omdraait: de plant wordt nu eens niet gegeten door insecten, maar eet zelf de insecten. Voer voor darwinisten, ook voor mij als botanisch filosoof interessant.’
Sleutelzin in de nieuwe uitgave is wellicht deze, over het ontstaan van de Flora in 1800: ‘Terwijl de wilde flora in zwaar weer begon te verkeren rond de eeuwwisseling, floreerde de plantenstudie.’ Dat was in 1800, toen het (vanwege het plaatwerk prijzige) boek een eerste poging was om de ‘vriendenkring’ van de Nederlandse wilde flora te vergroten.
Nu lijkt de flora opnieuw – of nog steeds – in zwaar weer te verkeren, en verschijnt een heruitgave van de Flora. Nog steeds niet goedkoop, maar aanzienlijk bereikbaarder dan destijds. De lancering gaat gepaard met drie tentoonstellingen in het land.
Zwaar weer of niet: te midden van deze bloeiende belangstelling verkiest het radioprogramma Vroege Vogels (NPO Radio 1) op 4 juni de ‘Nationale bloem’. Analoog aan de eerdere verkiezing van de ‘Nationale vogel’ in 2015 (dat werd de grutto) maakt het programma dan bekend welke van de vijf laatste kanshebbers de publieksverkiezing gaat winnen. Waar de Belgen hun klaproos hebben, de Duitsers de korenbloem en de Oostenrijkers hun edelweiss, gaat het in Nederland nog tussen de paardebloem, het fluitekruid, het madeliefje, de pinksterbloem en wilde kievitsbloem.
Wat mogelijk ook weer iets betekent: dat de flora in zwaar weer mag verkeren, maar tegelijk volop leeft.
Esther van Gelder en Norbert Peeters (red.): Flora Batava 1 Source: Volkskrant