Wekelijks neemt Bor Beekman, Robert van Gijssel, Merlijn Kerkhof, Anna van Leeuwen of Herien Wensink stelling in de wereld van film, muziek, theater of beeldende kunst.
Het heeft iets akeligs, maar is toch ook mooi en stemt tot nadenken. Aan de vooravond van een van de royaalste stadionconcertreeksen uit de recente pophistorie overlijdt de grootste stadionbestormer uit de iets verderop gelegen geschiedenis. Gaat Bruce Springsteen donderdag- of zaterdagavond in de Johan Cruijff Arena een woordje wijden aan zijn vrouwelijke evenknie Tina Turner, die in 1996 de eerste popster van formaat was die het net gebouwde stadion bespeelde? Het zou hem sieren.
De stadionshows van Tina Turner, David Bowie en Michael Jackson kleurden de jaren tachtig, die door maatschappelijke omstandigheden verder toch vooral grauw en grijs waren. Het stadion werd in die jaren ontdekt als decor voor exorbitante popspektakels waar lichtshows, bewegende podiumdelen en dansers het publiek in de ogen flitsten. Pink Floyd had De Kuip nog niet verlaten of U2 nam er alweer bezit van. Het waren mooie tijden.
De komende weken barst in Nederland een compleet stadionseizoen los, met shows van Springsteen, Harry Styles, Coldplay, The Weeknd, Burna Boy en Beyoncé. Hoe treurig de dood van Turner ook is: haar overlijden biedt ook kansen de popmuziek weer in een prachtig perspectief te zien. Je kunt bij de te verwachten topshows van Beyoncé op 17 en 18 juni moeilijk niet even denken aan haar grote voorganger, die als eerste vrouwelijke soloster sporthallen en stadions uitverkocht en ze aan flarden danste.
Toch moeten we ons bij het komende stadiongeweld ook even achter de oren krabben. Want kijk je even onder het niveau van de popsterren, en dus naar de kleinere maar zeker niet minder fijne bandjes voor het clubcircuit, dan valt er niet veel te juichen. Programmeurs van de popzalen in Nederland kijken al maanden bezorgd naar het aanbod van stevige acts, vooral uit de Verenigde Staten. Veel bands en artiesten durven de oversteek niet aan omdat ze door oplopende kosten van vervoer en energie zwaar in de rode cijfers dreigen te raken als ze een clubtournee in Europa op poten zetten. Tourbussen, om maar iets te noemen, zijn vergeleken met voorgaande, pre-coronajaren onbetaalbaar geworden. De agenda ziet er daarom al weken karig uit, en dat wordt na de zomerstop voorlopig niet beter.
En bij die laagconjunctuur komen dus de megasterren genadeloos opzetten. Ze bezetten de hallen en stadions om bakken vol geld te verdienen. Ze zitten elkaar natuurlijk niet in de weg, want ze bespelen een ander segment van de infrastructuur. Maar het weidse poplandschap lijkt zich door de economische ellende wel te vernauwen.
Het publiek lijkt voorlopig vrolijk mee te gaan met de schaalvergroting: de peperdure kaarten voor de monstershows vliegen de ticketkantoren uit. En dat is ook logisch: stadion- en concerthalshows kunnen louterend zijn, ook omdat ze een massaal saamhorigheidsgevoel afdwingen. Maar die stadionshows zijn toch ook popmanifestaties van het grote gebaar, die je soms hevig kunnen doen verlangen naar de persoonlijke, intense en intieme concerten van je favoriete kleinere band.
De mondiale pop- en cultuursector zou er goed aan doen eens in debat te gaan over het vastlopende bandjesverkeer tussen de continenten, voordat we straks alleen nog maar kunnen jubelen in de arena’s, tussen galm en patatwalm. Misschien kan er een solidariteitsbelasting worden geheven bij de grootverdieners, die het de kleinere popondernemers mogelijk maakt toch weer die tourbus te huren.
Source: Volkskrant