Home

Uiteindelijk gebeurde waar haar ouders altijd al bang voor waren: mevrouw De J. eindigde alleen

Tot de dag na haar begrafenis weet mevrouw De J. zich voor me verborgen te houden. Slechts glimpen ving ik op, ze was een geheimzinnige schim die me telkens ontsnapte. Uit schaamte, denk ik achteraf. Ze is op 7 december 1961 in Haarlem geboren, liet Team Uitvaarten van de gemeente Amsterdam weten. Ouders overleden, geen broers of zussen. Nooit getrouwd geweest, geen kinderen.

Het huis aan de Hasebroekstraat in Amsterdam-West is niet ver van mijn woning, ik loop er een paar keer naartoe. Een pand in verval, ze woonde bovenin, op de derde verdieping, al bijna veertig jaar. Op het minuscule balkon aan de voorzijde staat een plastic zonnebloem, aan de spijlen wappert een lint met rafelige vlaggetjes.

Team Uitvaarten gaat niet naar de woning omdat mevrouw De J. vanwege vroegere schulden op last van de rechtbank een bewindvoerder toegewezen had gekregen. Deze bewindvoerder, die haar niet persoonlijk kende en op afstand haar financiën beheerde, kon precies vertellen hoeveel geld (vrijwel niets) er op haar bankrekening stond. Een huiszoeking is in dit geval niet noodzakelijk.

De benedenwoning staat leeg, op eenhoog doet een artistiek figuur met ongekamde haren open. Hij verblijft er pas sinds afgelopen zomer. ‘Het is hier anti-kraak.’ Hij weet niet hoelang hij nog mag blijven, vreest dat het pand nu mevrouw De J. is overleden spoedig geheel of gedeeltelijk tegen de vlakte gaat en hij weer op zoek kan naar een volgend tijdelijk adres.

De bewoner van tweehoog is er niet, misschien is dat degene die de boel in gang heeft gezet, want zelf had hij er geen bemoeienis mee. Hij heeft geen volledige naam van deze medebewoner en ook geen nummer.

Een week geleden werd hij uit z’n bed gebeld. In zijn onderbroek liep hij naar het balkon. Een groep agenten, of hij wilde opendoen. Eerst weigerde hij omdat hij het niet op wetshandhavers heeft begrepen. Ze zeiden dat het om de bovenbuurvrouw ging. Als hij niet meewerkte, zouden ze de voordeur inrammen, met allerlei bijkomende kosten van dien, en hem inrekenen wegens obstructie.

De agenten roffelden de trappen op, niet lang daarna verscheen een schouwarts en een forensisch team in de Hasebroekstraat. Bewoners aan de overzijde van de straat hingen nieuwsgierig uit de ramen.

De woning was vies en overvol, overal lagen flessen. Rollen aluminiumfolie, zelfgemaakte pijpjes. Ondanks deze groezelige aspecten werden de omstandigheden niet verdacht bevonden. Er was geen moord gepleegd, het betrof hier een natuurlijk overlijden, waarschijnlijk uitgelokt door langdurig middelengebruik, iets dat later in het forensisch laboratorium zou worden bevestigd.

Na het onderzoek werd een op een brancard vastgesjorde zak door het trappenhuis naar beneden getild, wat niet meeviel vanwege de korte draai die op elke etage moest worden gemaakt. Brancard en zak verdwenen in een grijs busje met geblindeerde ramen.

De antikraker van eenhoog kende z’n bovenbuurvrouw niet. Slechts kortstondig heeft hij haar gezien, rokend liep ze hem in het portiek voorbij, een rinkelende boodschappentas met zich meetorsend. Rood haar, een fragiele verschijning, zo te zien niet erg goed ter been. Het is een raadsel wie ze was en hoe ze leefde. Het staat hem vaag bij dat hij haar een keer bij een kroegje in de Ten Katestraat heeft gezien.

In de kapel op begraafplaats Sint Barbara leest Pieter Boskma op een voorjaarsmorgen het gedicht voor dat hij op basis van mijn summiere informatie wist te componeren. Vanwege de afzondering waarin ze verkeerde, laat ik voor mevrouw De J. Soledad van Astor Piazzolla spelen, en ook The Last Spring van Edvard Grieg omdat dit haar laatste lente is, hoewel ze misschien al dood was toen die officieel aanbrak.

Leen, een van de dragers die tijdens eenzame uitvaarten wel vaker van de partij is, vraagt waarom ik nooit iets van André Hazes draai. Ook al ken ik haar muzieksmaak niet, volgens Leen is Hazes altijd goed. Eventueel kan hij me helpen aan nooit uitgebrachte nummers die hij via via op de kop wist te tikken.

De volgende dag besluit ik nog eenmaal naar het huis te gaan. Tot mijn verrassing doet de bewoner van tweehoog open, een vriendelijke jongeman. Hij was op vakantie. De reis stond al gepland, door de toestand met de buurvrouw was hij extra blij dat hij even weg kon.

Net als zijn onderbuurman woont hij sinds de zomer tijdelijk in dit afbraakpand. Hij stelde zich destijds aan haar voor. Ze zeiden elkaar geregeld gedag, tot een echt gesprek kwam het nooit. Mevrouw De J. rookte als een ketter, haar stem klonk als een bariton. ’s Nachts hoorde hij haar rochelen en hoesten. Het kostte haar moeite de trappen op te komen.

Hijgend en puffend zei ze op een keer dat ze wel een benedenwoning zou willen. Maar de verhuizing zou haar ondergang betekenen, want er was in de veertig jaar dat ze hier woonde zeer veel meer naar boven gesleept dan naar beneden.

Voor hij met wintersport ging, viel het hem op dat haar post zich ophoopte, op zijn bellen en kloppen kwam geen reactie. Het rook niet fris bij haar deur, maar van zware stank leek geen sprake. Vliegen zag hij niet, wel muizen, maar die waren er altijd al geweest. Hij ging niet van het ergste uit, besloot toch even met de bewindvoerder te bellen, wier naam hij op een envelop had zien staan. De bewindvoerder zei dat ze wel vaker van de radar verdween, maar beloofde contact met mevrouw De J. op te nemen.

We lopen langs de verzegelde woning over krakende treden naar de gemeenschappelijke zolderverdieping, waar mevrouw De J. de spullen deponeerde die niet meer in haar woning pasten. Onder lagen stof en achter spinnenwebben vinden we de scherven van haar leven terug. Kindertekeningen, schoolschriftjes, videobanden, cassettes en lp’s. Zo te zien hield ze van Siouxsie and the Banshees. Misschien had ik dat moeten draaien, al valt niet uit te sluiten dat Grieg, Piazzolla of Hazes hier ook ergens liggen.

Dit achteloos op een hoop gesmeten, aangevreten, verfrommelde verleden, dat binnenkort op last van de woningbouwvereniging door een uitdrager zal worden afgevoerd en vernietigd, bevat ook enkele vuilniszakken vol oude documenten. Waaruit tot mijn verbazing blijkt dat er een oudere zus in het spel moet zijn.

Team Uitvaarten is ook verbaasd. Het systeem wordt nogmaals doorzocht: geen zus. Maar de zus bestaat wel (de gemeente waar zij naartoe is verhuisd, lijkt haar gegevens onjuist te hebben verwerkt) en ze is blij dat ik haar heb gevonden. De boodschap brengt een schok teweeg, al wist ze dat deze tijding op een dag zou komen. Ze betwijfelt of ze naar de begrafenis zou zijn gegaan, er is misschien te veel gebeurd. Hoe wrang ook, een eenzame uitvaart, opgeluisterd met muziek en poëzie, paste misschien wel goed bij haar.

Ze groeiden op in Heemstede, hun vader werkte in Haarlem als ingenieur bij de wegenbouw. Het zes jaar jongere zusje maakte haar als meisje blij vanwege haar rare grappen. Met sproeten en lang rood haar zag ze eruit als Pippi Langkous. In haar puberjaren ging ze zich als Pippi Langkous gedragen: alles moest anders, regels waren er om overtreden te worden. Ze voetbalde met jongens.

Het vwo ging haar eenvoudig af. In het laatste jaar had ze er geen zin meer in, ze bleef zitten, moest terug naar de havo en besloot toen helemaal niet meer naar school te gaan. Zonder diploma vertrok ze onaangekondigd naar Amsterdam, nam allerlei baantjes aan om een kamer te kunnen betalen. Ze zag er prachtig uit, met modellenwerk verdiende ze wat bij, maar ze kreeg het regelmatig aan de stok met vervelende fotografen.

Van het plan om alsnog te gaan studeren kwam tot wanhoop van haar ouders niets terecht. In het uitgaansleven legde ze met eindeloze hoeveelheden drank en drugs de basis voor een grondige verslaving. Een poos woonde ze in kraakpanden. Ze schoor het hoofd half kaal, prikte een veiligheidsspeld in haar neus. De punkwereld was een patriarchaat, stelde ze tijdens hysterische uitbarstingen vast. Ze viel op vrouwen en transformeerde tot radicaal feministe.

Thuis zagen ze haar maanden niet. Het was altijd een verrassing wanneer en in welke staat ze zou opduiken, zegt haar zus. Ze bleef maar rommelen met baantjes. Dan weer zou ze doktersassistente worden, dan weer werkte ze in een interieurwinkel. Vroeg of laat werd ze ontslagen, doorgaans wegens dronkenschap. Ze liep rond met een heupflacon gevuld met wodka of jenever, viel aan het einde van de werkdag klanten lastig.

Met haar vriendin, die ze net als alle andere vriendinnen in haar leven vanwege een notoir kwade dronk van zich vervreemdde, begon ze een winkeltje in het centrum. Ze verkochten antieke lampen; ook dat liep door wangedrag in de soep. Haar uiterlijk veranderde. Ze zwol op en vermagerde weer. Discotheken lieten haar niet langer gratis binnen, niemand wilde foto’s van haar maken. Ze smoorde het verdriet met nog meer middelen.

Regelmatig schoten ouders en zus te hulp, tevergeefs werd ze opgenomen in afkickklinieken. Haar ellende ontwrichtte het leven van haar naasten. Machteloos aanschouwden ze de zelfvernietiging. Op gezette tijden, vaak midden in de nacht, kregen ze met afschuwelijke uitbarstingen en verwijten te maken. Ze waren bang voor haar.

Na het kort na elkaar overlijden van de ouders, dat ogenschijnlijk niet veel indruk op haar maakte, ruziede ze met haar zus over de nalatenschap. Ze meende te zijn bestolen van spullen die haar zouden zijn toegezegd. Het manipulatieve spel werd zo behendig gespeeld dat de zus om zichzelf en haar gezin te beschermen het contact verbrak.

Dat duurde niet lang, het bleef immers haar kleine zusje, het knappe meisje met de sproetjes, de Pippi Langkous van wel Source: Volkskrant

Previous

Next