‘Ting’, klonk het achter me. Kon niet voor mij bedoeld zijn. Ik was net begonnen om de fietser voor me in te halen. Hij had een belachelijk breed stuur. Terwijl ik hem inhaalde dacht ik aan dat stuur en vroeg ik me af waarom dat nou weer nodig was, zo’n breed stuur. ‘Ting ting’, klonk het weer achter me. Was dit toch voor mij bedoeld? Ik was overduidelijk aan het inhalen, fietste inmiddels schuin naast het belachelijk brede stuur en kon weinig kanten op. Dat kon Ting Ting zelf toch ook wel zien?
Ik trapte stoïcijns door. ‘Ting ting ting.’ Ik haalde mijn linkerhand van mijn stuur en maakte het doe-eens-even-chillgebaar. Even was het stil. Ting Ting was tot inkeer gekomen. Ik was de fietser voor me bijna voorbij. Toen voelde ik een kleine schok. Ting Ting was helemaal niet tot inkeer gekomen. Ting Ting was met zijn voorwiel tegen mijn achterwiel gereden omdat hij er nú langs wilde.
‘Doe eens even kalm, man’, riep ik toen hij me uiteindelijk voorbijfietste. Hij minderde vaart en keek me aan. Ting Ting was een jonge kerel op een zwarte e-bike. Jaar of 26, morsig baardje, tussen zijn lippen een half opgerookte joint. Er lag een lichtrode waas over zijn ogen, die me aanstaarden zonder enige vorm van uitdrukking. Hoewel het mooi weer was had hij een zwarte capuchon op, die strak om zijn hoofd zat.
Zo bleef hij even naast me rijden, die lege ogen onafgebroken op me gericht. Misschien kon hij met die lege ogen wel de leegte in mijn ziel zien. Hij tikte twee keer op zijn capuchon, ter hoogte van zijn oor. ‘Doe gewoon even rustig’, zei ik, ‘je ziet toch dat ik aan het inhalen ben?’ Zonder te antwoorden fietste hij door. ‘Ik kan ook gewoon niet sneller dan dit!’, riep ik hem nog na.
Een stukje verderop remde hij plotseling en zette zijn fiets stil, net in de bocht waar ik voorbij moest. Hij draaide zich om. Mijn hart sloeg over. Werd dit knokken? Echt? Om een inhaalmanoeuvre? Die nota bene de schuld was van iemand met een belachelijk breed stuur? Waar was Deëscalatieman als je hem nodig had? Ik remde af. Adrenaline gierde door mijn lijf, ik beet mijn tanden op elkaar.
Toen zag ik waarom hij gestopt was. Op de stoep in de bocht lag een wit draadloos oordopje, dat blijkbaar uit zijn oor was gevallen. Het lag net buiten zijn bereik. En net binnen dat van mij. Ik keek naar het oordopje en weer naar hem. Oordopje, en weer naar hem. De wereld om ons heen viel stil. Uiteindelijk bukte ik, pakte het oordopje op en reikte het hem aan. Zijn ogen afgewend van de mijne, pakte hij het dopje aan. ‘Thanks’, mompelde hij. Daarna fietste hij weg.
Source: Volkskrant