De afdeling is in rep en roer, want het gehoorapparaat van mevrouw Postma (87) is kwijt. We hebben haar hele kamer ondersteboven gehaald en ook die van de usual suspects. In een bloempot op de vensterbank van mevrouw Dekker (82) heb ik wel het kunstgebit van een andere bewoner gevonden, dat waren we ook kwijt, maar het gehoorapparaat is echt weg. Straks komt haar zoon op bezoek, die komt bijna elke dag, en dan krijgen we de wind van voren.
Mevrouw Postma heeft vergevorderde dementie. Ze zit met een slab om in haar rolstoel aan de ontbijttafel. Mijn collega zit ernaast met een bord pap. Hij houdt haar de lepel voor, zucht diep en zegt: ‘We zijn de lul.’
‘Jajajajaja’, kraait mevrouw Postma.
Over de auteur
Thomas van der Meer is schrijver en werkt in een verpleeghuis. Hij schrijft om de week een wisselcolumn met Erdal Balci. De namen in deze column zijn gefingeerd en sommige details zijn aangepast.
Buiten slaat de regen tegen de ramen. Mevrouw Postma’s zoon stapt de afdeling op als we net aan de koffie zitten. Hij kijkt misprijzend naar ons, alsof hij denkt: daar zitten ze weer te niksen. Als ik hem vertel dat we vanmorgen haar gehoorapparaat niet hebben kunnen vinden, vraagt hij: ‘Heb jij stront in je ogen?’
Het verpleeghuis belooft 24-uurszorg en volgens de zoon van mevrouw Postma betekent dit dat wij haar 24 uur per dag in de gaten moeten houden. Dus telkens als er iets misgaat, komt dat doordat wij niet goed hebben opgelet. Wij moeten beter uit onze doppen kijken. Hij heeft mijn collega een keer bijna met zijn vingers in haar ogen geprikt.
In de zorg komt ongewenst gedrag heel vaak voor. In het verpleeghuis hebben we niet alleen te maken met agressie van cliënten, maar ook van bezoekers: familieleden of vrienden. Elke afdeling heeft wel een familie die de boel terroriseert en dat komt door een samenloop van omstandigheden.
Om te beginnen vinden veel mensen het moeilijk dat hun naaste in een verpleeghuis woont; ze hebben last van schuldgevoel, rouw en bezorgdheid. Niet iedereen kan goed omgaan met zulke gevoelens. En er gaat inderdaad een heleboel mis. We hebben veel bewoners en weinig tijd. Op mijn afdeling verloopt de zorg het soepelst en het best als er mensen aan het werk zijn die de bewoners kennen, maar door het personeelstekort en een hoog verzuim werken er vaak onbekende oproepkrachten.
Daarnaast wordt er op de ouderenzorg neergekeken. Mijn collega wees naar het plafond. ‘Zij vinden dat ze daar zitten’, zei ze, en daarna wees ze naar de vloer. ‘En ik daar.’ Die scheve verhouding zorgt ervoor dat de bezoeker de ruimte voelt om zich te misdragen, en dat de zorgverlener niet de ruimte voelt om voor zichzelf op te komen. De ouderenzorg draait op verzorgenden en helpenden, dat zijn mbo-functies op niveau 2 en 3, en die zijn verbaal niet allemaal even weerbaar.
De zoon van mevrouw Postma houdt zijn gebruikelijke tirade over mijn visus en ik sputter tegen. Ik zeg dat ik best met hem in gesprek wil, maar niet op deze manier.
‘Ja, sorry hoor’, zegt hij. ‘Normaal gesproken ben ik heel aardig, maar ik kan niet tegen onrecht.’
Zo. Daar hebben we niet van terug. Met opgeheven kin draait hij zich om en vertrekt, maar tijdens zijn triomftocht naar de lift stopt het plotseling met regenen. De wolken schuiven uiteen boven het verpleeghuis en een dikke bundel zonnestralen zet het in een blakend licht.
Terwijl mevrouw Postma’s zoon in de lift stapt, wil hij zijn telefoon in zijn jaszak steken, maar hij zit ernaast. De telefoon glijdt langs zijn jas naar beneden en valt precies in de gleuf van de liftschacht. Voordat de liftdeuren sluiten, zien we hem nog net naar ons opkijken, met een blik vol afschuw en ontreddering.
Achter het glanzende metaal van de gesloten deuren horen we de lift zoemend in beweging komen en buiten begint de regen weer tegen de ramen te tikken. Mijn ene collega schikt haar hoofddoekje, de andere vouwt zijn handen en ik weet het ook: dit was een goddelijke interventie.
Source: Volkskrant