Home

‘De zwarte mensen die ik nu op televisie zie, wil ik in de omroepbesturen zien’

Terwijl voormalig presentator Ivette Forster (62) een glaasje wijn drinkt, is haar oud-collega Guilly Koster (68) druk in de weer met zijn computer. Op het scherm verschijnt een video met diezelfde Koster en Forster, vijfendertig jaar jonger, stralend op een podium. Onder joelend applaus van een voornamelijk zwart publiek spreekt Forster de camera toe: ‘Voor de allereerste keer in de vaderlandse geschiedenis, een zwarte talkshow op de grotemensenbuis!’

Het zijn beelden van Bij Lobith, de eerste show voor ‘de nieuwe Nederlander’ uit 1988. Koster en Forster, allebei van Surinaamse origine, creëerden een podium voor Nederlanders met een migratieachtergrond. Nog steeds tuigen ze podia op voor minderheden: Forster organiseerde later de eerste edities van het Ketikotifestival en Koster maakte documentaires voor Human. Allemaal omdat er volgens hen iets ontbreekt dat er vijfendertig jaar geleden ook niet was: een zwart perspectief.

Forster: ‘In tegenstelling tot witte Nederlanders hebben wij een ander cultureel referentiekader waarmee we naar de wereld kijken. Die culturele bagage stopten we ook in onze programma’s, en die bagage is voor heel veel Nederlanders herkenbaar. Bij Lobith was voor iedereen, maar dan wel vanuit een zwarte blik.’

Eind jaren tachtig was Hilversum nog gericht op de doorsnee witte Nederlander. In slechts enkele programma’s stonden andere culturen centraal. Zo bracht het televisieprogramma Paspoort nieuws voor immigranten uit het land van herkomst. In de paar shows die buiten de landsgrenzen keken, kwam de wereld voorbij als exotisch en uitheems.

Bijvoorbeeld de Late Late Lien Show, waarin Wieteke van Dort een vrouw speelde met een zwaar Indisch accent die terugverlangt naar Nederlands-Indië. Van Dort, geboren in Indië, deed sketches en traditionele dansen onder begeleiding van de houseband de Saté-Babi Boys. Daarnaast was er De ver van mijn bed show, waarin ontwikkelingslanden passeerden als een vreemd fenomeen.

Koster stoorde zich mateloos aan deze programma’s en wilde zich herkennen in de televisie. Dan maar zelf verandering brengen. In 1985 meldde hij zich aan bij de mediaopleiding voor aankomende programmamakers van MTV. Niet de muziekzender, maar Migrantentelevisie.

Koster: ‘Die opleiding was bedoeld om het geluid van zwarte mensen een push te geven.’

De klas bestond uit een bont gezelschap afkomstig uit alle windstreken, veelal politieke vluchtelingen. Chilenen, Argentijnen, Surinamers, Afghanen. Daar liep Koster een oude bekende tegen het lijf uit het Amsterdamse uitgaansleven: Ivette Forster. Zij was in Amsterdam om voor haar zieke vader te zorgen en deed in de tussentijd de opleiding omdat die haar ‘gewoon leuk leek’.

Ze kregen les van film- en theaterregisseur Felix de Rooy, die in die periode werkte aan zijn bekende expositie Wit over Zwart, over de verbeelding van zwarte mensen in witte cultuur. Hij leerde de twee vanuit een zwart perspectief te kijken. Forster noemt hem ‘een belangrijke leermeester’, voor Koster was hij ‘van onschatbare waarde’.

Na de opleiding maakten de jonge programmamakers voor de Amsterdamse kabel Color Box, een voorloper van Bij Lobith. Het programma was vernoemd naar hun sponsor, een modellenbureau voor zwarte modellen. In deze show kwamen gasten als Patty Brard en filmmaker Pim de la Parra, afgewisseld met livebandjes. Een dag na de laatste uitzending belde de VPRO: of ze iets soortgelijks wilde maken voor Nederland 2, zondagavond om zeven uur.

Koster: ‘De VPRO was een voortrekker in diversiteit. Zij zagen iets aparts buiten de gebaande paden en durfden dat uit te proberen.’

Forster bedacht de naam. ‘Mijn ouders vertelden vroeger dat ze in Suriname alleen les kregen over Nederland.’ Met een priemende vinger in de lucht doet ze haar ouders na: ‘Ik moest op school leren dat bij Lobith de Rijn ‘ons’ land binnenkwam!’ Metaforisch, zegt ze, staat de titel voor alles wat Nederland ooit is binnengestroomd.

Om een voorbeeld te geven van een aflevering: een reggaeband opent het programma, waarna interviews volgen met een zwarte kunstenaar en de Marokkaanse regisseur Izza Genini. Een reportage over afro-radiozenders, een interview met academici, een optreden van een Nederlands-Portugese fadozangeres, interviews met de Poolse regisseur Krzysztof Kieślowski en de Nigeriaanse Buchi Emecheta waarna dezelfde reggaeband swingend afsluit.

Naast lof om de baanbrekende inhoud van het format oogstten ze ook veel kritiek. Critici omschreven het als ‘rommelig’ en ‘gekunsteld’. Deze negatieve reacties belandden ook in hun brievenbus.

Koster: ‘Elke week hadden we vier of vijf brieven die onder de hakenkruizen zaten.’

Forster: ‘‘We wachten ze op en schieten hun kop eraf’, dat soort teksten.’

Koster: ‘Ik las het allemaal. Het enige wat ik dacht was: fuck you, kom maar.’

Forster: ‘Natuurlijk is het niet leuk en schrik je ervan, maar we verwachtten dit soort reacties. Racistische opmerkingen werden veel minder tegengesproken dan dat nu het geval is. Als je nu iets racistisch zegt, staan de media er bol van. Wij waren gewend aan dit soort pesterijen.’

Koster: ‘Het gaf geen angst, allesbehalve. Het bevestigde juist dat deze reacties de reden waren waarom we deze televisie moesten maken.’

Forster: ‘Als je nooit zwarte mensen ziet op televisie, dan kun je daar ook niet aan wennen. Dan blijven zwarte mensen altijd die ander, de vreemdeling. Witte Nederlanders hadden het beeld nodig dat zwarte mensen normaal kunnen praten over van alles. Daarvoor moesten wij door een zure appel heen bijten.’

Forster: ‘Nee, wij waren best marginaal. Met twee seizoenen waren wij denk ik te kort op tv om de blik van mensen wezenlijk te verbreden. Wel hebben we de manier van denken van sommige zwarte mensen veranderd, we hebben laten zien dat het mogelijk was om als zwart persoon televisie te maken. Ik was ooit bij een boekpresentatie van Sylvana Simons. Toen ze haar boek voor mij signeerde, schreef ze: ‘Jij was de eerste die ik zag op tv.’ Het programma inspireerde een generatie die na ons kwam.’

Koster: ‘Dat heb ik ook vaak gehoord. Journalist Clarice Gargard zei: ‘Guilly, ik sta op de schouders van jou en Ivette.’ En radiopresentator Andrew Makkinga kreeg een openbaring toen hij ons op televisie zag: ‘Het is mogelijk’.’

Forster: ‘Je ziet nu wel verkleuring op televisie, er zijn veel meer zwarte mensen te zien dan indertijd, maar het zwarte perspectief dat wij boden zie je nog nauwelijks. Incidenteel zie je onderwerpen die wij behandelden, maar niet structureel, zoals wij deden. Ik denk dat we onze tijd ver vooruit waren. Bij wat we nu op tv zien denken wij vaak: ‘My god, dertig jaar geleden hadden we het daar al over. Zoals etnisch profileren, Zwarte Piet…’

Koster: ‘... de positie van Marokkaanse jongeren, discriminatie op de werkvloer, kroeshaar. De omroepen waren in onze tijd volledig wit. Volgens mij zijn ze dat nu voor het merendeel nog.’

Forster: ‘Wat je goed moet snappen: er was geen internet. Dat die Zwarte Pietendiscussie uiteindelijk zo is opgelaaid, komt door internet. Die discussie was namelijk al jaren daarvoor aan de gang.’

Koster: ‘We hadden geen al te beste kijkcijfers. Bovendien verschilde onze visie van het programma met die van de VPRO.’

Forster: ‘Wij waren de vergaarbak van allochtonen voor de omroep. Zodra er bij de VPRO een idee binnenkwam dat niet over de witte Nederlander ging, werd het naar ons doorgestuurd. Maar stel dat wij een item wilden maken over Herman Brood, dan zei de VPRO: ‘Nee, dat doet Firma Onrust, een popprogramma’.’

Koster: ‘Wij wilden gewone programma’s maken, maar dan vanuit een zwart perspectief. Dan laat je veel zwarte mensen aan het woord, maar we wilden ook vanuit ons perspectief met witte mensen praten. We waren het allochtonenputje geworden.’

Koster: ‘Ik was graag doorgegroeid binnen een omroep, maar door mijn uitgesproken karakter werd ik volgens mij als moeilijk gezien. Ik ben niet meer écht aan de bak gekomen in Hilversum. Er is na ons nooit een programma verschenen dat er op leek.’

Forster: ‘Ik wilde geen talkshows meer presenteren, maar programma’s maken. Ironisch genoeg werd ik daarna presentator bij AT5. Ik heb later nog wel documentaires gemaakt, maar dat was allemaal op eigen initiatief, niet in dienst van een omroep.’

Forster: ‘Tijdens de coronacrisis begonnen we met een Bij Lobith-achtig praatprogramma op YouTube, omdat we zagen dat er in de berichtgeving over corona weinig aandacht was voor zwarte mensen.’

Koster: ‘Op televisie zag je alleen witte deskundigen, slachtoffers, hulpverleners. Maar het nieuws komt niet aan als je jezelf niet herkent, zelfs niet bij corona. Dus wij nodigden een Surinaamse arts uit Zweden uit, of een Antiliaanse zakenman die in China woont.’

Forster: ‘We waren weer als vanouds bezig en dat ging lekker, daarom begonnen we Omroep X. Toen de kans kwam voor een nieuwe omroep in het mediabestel, hebben we dat ook geprobeerd. In het begin hadden we nog contact met Omroep Zwart over een eventuele fusie.’

Forster: ‘We hebben een aantal vruchtbare gesprekken gehad, maar ze waren, net als wij, al ver met hun eigen pr-campagne. Zij hebben ervoor gekozen om hun eigen weg te gaan. Het was te kort dag om te fuseren.’

Forster: ‘Goed dat het er is. Volgens mij is Omroep Zwart ontstaan ten tijde van de Black Lives Matter, vanuit het gevoel dat ze zichzelf wille Source: Volkskrant

Previous

Next