Home

Kostuumontwerper Robby Duiveman gaat met pensioen bij DNO. Dit waren zijn favoriete producties

Naast zijn werkkamer in het Amsterdamse Muziektheater staat een vitrine met kroonjuwelen die zelfs de Britten jaloers zou maken. Rijk bewerkte tiara’s, kronen en kransen hebben de hoofden getooid van een bonte verzameling operavorsten. ‘Boris Godoenov’, wijst Robby Duiveman (64), ‘Tatiana uit Jevgeni Onegin, de koning uit Königskinder, Charles X uit Il viaggio a Reims.’ Ja, hij heeft op 6 mei gekeken naar de échte kroning, van Charles. Veel keurig ambachtelijk kostuumwerk, maar jammer van Camilla’s outfit: ‘Die had iets van een nachthemd. Iets meer structuur in haar japon was beter geweest.’

Duiveman is zijn leven lang bezig met wat een kostuum kan doen voor een theatrale rol. Hij droeg bij aan de schepping van duizenden operapersonages als directeur kostuums, kap en grime bij De Nationale Opera (DNO). Veel regisseurs brengen hun eigen ontwerpers mee. Onder Duivemans leiding werden hun ideeën uitgevoerd, daarnaast ontwierp hij zelf podiumkostuums voor topregisseurs als Peter Sellars, Christof Loy en Pierre Audi.

Soms was hij de man die anderen letterlijk in het pak naaide. Zo liet hij het personage Orfeo eens opdraven in een zwarte outfit die aan het einde van de voorstelling van diens lijf werd gescheurd. Eronder droeg Orfeo een flitsend discopak. ‘De zanger kreeg eerst dat spiegeltjespak aan, daarna naaiden we met de hand het zwarte kostuum eroverheen, elke voorstelling opnieuw. Dat moest heel precies, zodat geen enkel glimmertje van het kostuum eronder zichtbaar zou zijn.’

Na 23 jaar bij DNO gaat Duiveman met pensioen. In de ateliers naast zijn werkkamer zoemt het van de bedrijvigheid: de kostuums voor de opera Rusalka, die 2 juni in première gaat, schuiven over de naaitafels – het is zijn laatste productie als directeur. Onder de handen van de coupeurs ontstaan jarenvijftigkostuums en showgirlpakjes met honderden sliertjes eraan, in geel en lentegroen. In de ateliers ernaast worden pruiken geknoopt en stukken vilt getransformeerd tot hoofddeksels. Hij houdt van het ambachtelijke handwerk waarmee de verbeelding van het artistieke team wordt vertaald naar het podium. ‘Met een kostuum onderbouw je een personage’, zegt Duiveman. ‘Als een artiest zijn theaterkostuum aantrekt, kruipt hij in de huid van zijn type. Tegelijk moet hij zich prettig kunnen bewegen, ook als hij bijvoorbeeld over de grond moet rollen.’

Hij zit eigenlijk al sinds zijn vroege jeugd in het vak: vader was operazanger, moeder grimeur bij een voorloper van de Nederlandse Reisopera. De kleine Robby zette weleens een stoeltje tussen de glanzende podiumkostuums die bij hen thuis hingen, alleen om zich eraan te vergapen. ‘Ik knipte foto’s van mooie jurken uit operablaadjes.’ Twee jaar volgde hij een mode-opleiding in Amsterdam, hij studeerde decor- en kostuumontwerp in München, waar hij een Meistertitel behaalde, en kwam via de operahuizen van Hamburg, Brussel en Salzburg als directeur terug in Amsterdam.

Als student in München zag hij ‘vanaf het schellinkje’ een generatie grote operasterren voorbijkomen, Kiri Te Kanawa, Montserrat Caballé, Birgit Nilsson. ‘In Salzburg heb ik met heel goede kostuumontwerpers gewerkt, ze moesten de solisten soms overtuigen hun creaties aan te trekken. Ik heb een zangeres een japon in de hoek zien smijten; ze vond de kleur niet mooi.’

Het waren andere tijden. Diva’s en divo’s stonden op een voetstuk. ‘Ik moest weleens een solist ophalen bij de portier en kreeg dan de tassen en koffers in m’n handen geduwd. Mocht ik erachteraan lopen. Tegenwoordig staan de solisten met beide benen op de grond. Bij ons worden ze in tegenstelling tot veel andere operahuizen niet in hun eigen kleedkamer geschminkt, maar in één ruimte met anderen. Dat vinden ze geweldig, heel gezellig.’

Ook inhoudelijk veranderde zijn vak, en niet alleen doordat actuele vraagstukken worden vertaald naar het podium. ‘Blackface, het zwart schminken van witte zangers, doen we al heel lang niet meer. En gender-issues zijn altijd aanwezig geweest in de opera: rolwisselingen en zogeheten Hosenrollen, vrouwen die mannen spelen.’ Wel zichtbaar op het podium: het streven naar duurzaamheid, en de kleinere budgetten van de operahuizen. De tijd van de visueel (en financieel) uitbundige producties op het toneel is voorbij, zegt Duiveman, wat niet geldt voor álle kostuumspektakels. ‘Zo’n Met-gala in New York, helemaal over the top, kan echt niet meer, vind ik. Het is een decadent circus.’

Gevolg van de veranderingen is dat veel jonge ontwerpers vooral bezig zijn als stylist. ‘Je ziet steeds meer fast fashion op het toneel, kleren van H&M of Zara. Persoonlijk heb ik daar weinig mee. Als ik zelf kleding ontwerp voor een productie en de stijl is hedendaags, probeer ik toch de vertaalslag te maken naar een theaterkostuum. Dan laat ik een hoody met de hand borduren, een spijkerbroek maken van heel ander materiaal, of een trui op een andere manier breien. Het geeft zo’n productie iets extra’s. Je komt tenslotte naar de opera voor iets bijzonders.’

Een rek showgirlglamour wordt voorbijgerold, op weg naar de kleedkamers. Hij zal het missen, de drukte, de poespas, de oplopende spanning naar de première, maar van loslaten is geen sprake. ‘Ik krijg nu veel meer tijd om zelf te ontwerpen. Ik kan er nog niets over zeggen, maar ik ga na mijn pensioen een paar interessante operaprojecten doen in het buitenland.’

Regie Karl-Ernst en Ursel Herrmann, kostuumontwerp Karl-Ernst Herrmann

Het Duitse duo Karl-Ernst en Ursel Herrmann stond bekend om zijn ingenieuze regie, decors en kostuums. ‘Herrmann was al in de zestig toen hij deze Giulio Cesare deed in de Amsterdamse Stadsschouwburg. Ondanks tientallen jaren ervaring was hij in zijn manier van ontwerpen heel naïef gebleven. Hij tekende een boezemlijn van een japon onder de tepels – dat kan dus niet. Al zijn tekeningen waren tweedimensionaal. Het was een arbeidsintensief proces om zijn lijnen en vormen te vertalen naar driedimensionaliteit: uitproberen, creëren, aanpassen, eindeloos.’

‘Madama Butterfly’ van Puccini (2002)
Regie Robert Wilson, kostuumontwerp Frida Parmeggiani

De Italiaanse Frida Parmeggiani onwierp de kostuums, zij creëerde de modernistische, haast abstracte stijl van Robert Wilson min of meer in de jaren negentig. Deze productie ging in 1992 in première in Parijs. ‘Bij de opvoering in Amsterdam was ik co-designer, degene die verantwoordelijk is voor de uitvoering. Je krijgt dan de costume bible van de ontwerper, met alle details. De kostuums leken eenvoudig aan de buitenkant, maar het waren technische hoogstandjes van binnen. Hierdoor leken ze te zweven. De bewegingen van de zangers zijn bij Wilson altijd waren een beetje statig, gebaseerd op het Japanse kabuki-theater. Het eindresultaat was ongelooflijk mooi.’

‘Tea’, muziektheater door Tan Dun (2005)
Regie Pierre Audi, kostuumontwerp Angelo Figus

Het verhaal van Tea, over een Japanse prins en een Chinese prinses speelt tegen de achtergrond van de theeceremonies in Japan en China. Angelo Figus, een Italiaan, bedacht de kostuums. ‘Die man kan schilderen met stoffen. Hij brengt ze in meerdere transparante lagen aan, van krachtig naar flets: het lijkt of er een soort olieverfschilderij ontstaat. Figus is ook een meester in het gebruik van vreemde materialen. We hebben voor Tea onder meer bezemhaar gebruikt van polyester. Dat hebben we niet uit bezems zitten plukken, je kunt het los kopen. Die haren hebben we in gaas geknoopt, het soort waarmee bouwvakkers steigers afdekken. Dat bouwgaas was de basis van de kostuums.’

‘Het sluwe vosje’ door Leos Janácek (2006)
Regie Richard Jones, kostuumontwerp Antony McDonald

De dieren- en de mensenwereld, fantasie en realiteit, lopen door elkaar in Janaceks opera. Antony McDonald bedacht een speelse dierenwereld bevolkt met vossen, grote glimmende kevers, gevleugelde insecten, kippen en hanen: allemaal zangers of figuranten. ‘Voor deze productie werkten alle afdelingen aan één en het hetzelfde kostuum. Kleding, hoeden, pruiken, schoenen – het ene atelier maakte de vossenstaart, het andere bekleedde hem. Prachtige, fantasievolle kostuums, mede doordat we niet hebben geprobeerd de dieren zo ‘echt’ mogelijk na te maken met kunstbont. Voor het vossenhaar hebben we bijvoorbeeld chiffon gebruikt, een heel lichte, transparante stof, die we in fijne reepjes hebben gescheurd om een bont-effect te creëren.’

‘Ercole amante’ van Francesco Cavalli (2009)
Regie David Alden, kostuumontwerp Constance Hoffman

‘Dit was één grote parade van kostuums, het hield niet op, zowel in aantal als in omvang. De Amerikaanse Constance Hoffman maakte er een megaspektakel van. Het hoofdpersonage is koning Louis XIV die in deze opera wordt vergeleken met Hercules, de Romeinse god. Eerst verschijnt hij met een enorme cape, op het toneel kleedt hij zich om tot een soort pooier-bodybuilder, Source: Volkskrant

Previous

Next