Met mijn zus bevond ik mij in de enige supermarkt van Rossum, ‘parel van de Bommelerwaard’. Voor het diepvriesschap stonden we te beraadslagen. Onze halfzus zou komen lunchen op de datsja. Zij woont in Brussel, dus opperde ik kroketten. In Brussel hebben ze geen kroketten, ja, wel garnalenkroketjes, maar een eerlijke Hollandse vleeskroket, ho maar.
We steggelden over het merk. Onze favoriet Holtkamp was er niet, te Amsterdams waarschijnlijk. Wij moesten kiezen tussen Mora en Van Dobben, een soort ‘Mussert of Moskou’-vraagstuk, want beide zijn niet best.
‘Mora dan maar’, zuchtte ik, maar mijn zus wilde liever Van Dobben. Bespottelijk, want die zijn nog viezer. Het liep hoog op. Mijn zus begon zelfs over pastasalade, zo van: ‘ik heb nog een halve kom pastasalade staan, die kunnen we dan net zo goed opeten.’ Pastasalade! Dat doe je niemand aan, zeker niet je (half)bloedeigen zus, helemaal uit Brussel.
Ik besloot dat mijn zus zich met die pastasalade ongeschikt had bewezen voor welke culinaire bemoeienis dan ook. Resoluut wierp ik een doosje Morakroketten in ons karretje, waarna zij er even resoluut een doos kaassoufflés achteraan wierp.
Kaassouflés! Ik ben tegen kaassoufflés. Het zijn niet eens soufflés, maar envelopjes van taai karton, zuinig gevuld met derderangssmeerkaas. Dit wilde ik juist mijn zus uitleggen toen er een man naast ons kwam staan. Een grote, logge, in de nek veel te hoogopgeschoren man, die naar de kaassouflés keek en weemoedig murmelde: ‘Die zijn vaak helemaal leeg van binnen...’
Ik knikte eerbiedig. Hier sprak duidelijk een kenner. ‘Dat gebeurt in de frituur’, ging de man bedroefd voort. ‘Dan lopen ze helemaal leeg.’ De aanblik van onze kroketten deed hem weer wat opklaren. ‘Van die kroketten maak ik altijd puree’, vervolgde hij. Puree?!
De man lachte gewiekst, als iemand die een goocheltruc uit de doeken doet. ‘Ja, ik prak ze allemaal door elkaar, op mijn bord. Dan koelen ze snel af en kun je ze zo naar binnen lepelen.’ Mijn zus keek ongerust naar hem, als een schaap naar een treinramp, maar ik wilde hier de boter uitbraden. ‘En hoeveel eet je er dan zowat?’ vroeg ik.
‘Nou, een hele doos’, antwoordde hij. En met een schampere blik op ons doosje-van-vier: ‘een gróte doos, hoor. Twaalf stuks.’ Met een weerloze glimlach voegde hij eraan toe: ‘je moet er zelf een feestje van maken hè. Een ander doet het niet voor je.’
Onthutst scheurden wij ons los van de krokettenprakker en reden terug naar de datsja, waar de Morakroketten inderdaad vies bleken. Maar lang niet zo vies als die van Van Dobben, daar blijf ik bij.
Source: Volkskrant