Home

‘Ik hou van de tijd die ik in Nederland leef, van de mensen die ik heb ontmoet’

Mochtar El Hassouni kwam in 1964 als een van de eerste ‘gastarbeiders’ uit Marokko naar Nederland. Er verschijnt een tedere lach op zijn gezicht als hij vertelt hoe hartelijk hij werd ontvangen in Utrecht, de stad waar hij op goed geluk uit de trein stapte en de rest van zijn lange leven zou blijven wonen. De 100-jarige weet niet precies op welke dag in welke maand hij is geboren, wel dat 1923 zijn geboortejaar is.

In de loop van het gesprek blijkt waarom het niet mogelijk is hem thuis op te zoeken. We treffen elkaar in een buurthuis in de Utrechtse wijk waar hij woont. Sociaal werker Mohamed Dahri werpt zich op als tolk. Als die even thee gaat halen, vertelt de 100-jarige in het Nederlands dat hij deze taal vroeger wel kon spreken, maar nu hij ‘een beetje oud’ is, het hem niet meer zo goed lukt de juiste woorden te vinden.

‘In Adouz, een dorpje vlak bij de zee, in het Rifgebergte. Ik ben de oudste van zes kinderen. Drie zussen en één broer leven nog. Mijn zussen wonen in Marokko en ik steun hen. Onze ouders zijn heel oud geworden: vader 113, en moeder 107 jaar. Het is Allah die bepaalt hoelang je leeft.

‘Het noorden van Marokko waar wij woonden, was nog een kolonie van Spanje. Onder de Spanjaarden werden baby’s na hun geboorte niet bij de gemeente geregistreerd. Daardoor weet ik niet op welke dag ik ben geboren.

‘Het leven in het dorp was eenvoudig en moeilijk, want er was veel honger in die tijd. Mijn ouders waren kleine boeren met een paar koeien, kippen en een paard. We verbouwden ons eigen eten. Ook gingen we weleens illegaal vissen en probeerden de vangst te verkopen. Op mijn 10de ging ik voor het eerst naar school, een Spaanse school in Tanger, dat toen de hoofdstad van Noord-Marokko was. Mijn vader had in Tanger werk gevonden in een restaurant en daarom verhuisden we erheen.

‘Na een paar jaar brak in Spanje een burgeroorlog uit. Generaal Franco haalde veel mannen uit Marokko om in zijn leger tegen de communisten te vechten. Mijn vader ging niet. Tijdens de Tweede Wereldoorlog vond mijn vader het onveilig worden in Tanger. In 1943 keerden we daarom terug naar Adouz. Tijdens de oorlog werden Marokkanen opgeroepen naar Europa te gaan om tegen de nazi’s te vechten, 133 duizend Marokkanen hebben dat gedaan.’

‘Naar Nederland migreren. Hier is alles goed gegaan met mijn leven. Ik hou van de tijd die ik in Nederland leef, van de mensen die ik heb ontmoet. Ik ben trots dat ik heb bereikt wat ik wilde: werk en een goed leven in Nederland, kinderen en kleinkinderen.

‘In Marokko was ik altijd bezig met de toekomst, met een beter leven. Economisch ging het daar slecht, er was veel armoede en weinig werk. Ik hoorde dat Europa een tekort had aan personeel en de gezondheidszorg daar goed was. Toen veel Europese landen de deur openzetten voor migranten uit Marokko om te komen werken, besloot ik te gaan. Mijn vrouw en vier kinderen bleven achter en zouden, als het goed zou gaan, later overkomen.

‘Ik vertrok in 1964, Marokko was toen al onafhankelijk. Eerst reisde ik naar de Spaanse enclave Ceuta en daar nam ik de boot naar Spanje. In Zuid-Spanje ben ik op de trein naar Brussel gestapt, en van Brussel ging ik naar Utrecht. Op het station van Utrecht kwam ik een Spaanse man tegen die mij wilde helpen. Hij bracht mij naar een pension voor migranten. Ik kon het goed vinden met de Joodse eigenaar van het pension. Omdat ik ervaring had met werken in een restaurant, mocht ik van hem het eten en het drinken voor alle pensiongasten verzorgen. Ook maakte ik de bedden op. In ruil voor al mijn werk hoefde ik niks te betalen.

‘Ik ging op zoek naar betaald werk. In Overvecht zou gebouwd gaan worden, in die tijd was daar nog helemaal niks. In 1964 en 1965 zijn ze er begonnen met flats te bouwen. Ik kon er aan de slag. Maar na een maand werd ik ziek. Ik had een ontsteking bij mijn buik, er kwamen allemaal wormen uit. Er bleek een tumor te zitten. Zes maanden heb ik in het Antonius Ziekenhuis gelegen. Ik was helemaal niet verzekerd, maar werd toch geholpen. De tumor werd weggehaald, ik kreeg een antibioticakuur en genas.’

‘Eenzaam. Ik lag tussen allemaal Nederlanders en sprak de taal nog niet. Maar elke dag kwam hun familie tijdens het bezoekuur eerst even bij mij langs. Nederlanders zijn goede mensen, ze zijn altijd aardig voor mij geweest.

‘Nadat ik was genezen, werd ik afgekeurd voor de bouw en kon ik een baan krijgen in het restaurant van de NS op Utrecht Centraal. Mijn taak was schoonmaken. Mijn baas zag dat ik een serieuze en harde werker was en toen mocht ik ook de automaten vullen met kroketten. Op een dag vroeg hij mij het geld uit de automaten te halen en naar de bank te brengen. Hij gaf mij het vertrouwen. Om te voorkomen dat iemand zou zien dat ik het geld verzamelde, pakte ik een vuilniszak, ging ermee bij de krokettenautomaten staan en liet het geld erin vallen. Zo leek het net alsof ik vuilnis aan het verzamelen was. Mijn baas zag hoe ik dat deed en zei: ‘Ga er maar mee door, want je bent veel slimmer dan ik.’ Tot mijn pensioen heb ik de automaten gevuld en het geld naar de bank gebracht. Niemand heeft ooit gemerkt wat ik in de vuilniszak stopte. Mijn baas bij de NS was goed voor mij. Als ik weleens ziek was, kwam hij eten brengen.

‘Ik ben alleen maar aardige mensen in Nederland tegengekomen. Dat zijn er veel, ook reizigers op het station, daar kende iedereen mij. Ik hou nog steeds van de tijd dat ik werkte op het station en van mijn baas, we konden goed met elkaar opschieten.’

‘Toen ik in Nederland kwam, voelde ik mij meteen vrij. Nog steeds voel ik mij vrij hier. Eerlijk gezegd: Marokko is een heel streng land, autoritair. Daar kun je je niet uiten. In Nederland kun je sociaal en gezond leven. De mensen zijn heel aardig en als er iets mis is met je gezondheid, word je altijd geholpen. Wie geen geld heeft, wordt in Marokko aan zijn lot overgelaten.

‘Afgelopen winter ben ik tijdens mijn dagelijkse wandeling gevallen. Ik struikelde over een betonblok. Ik werd wakker in het ziekenhuis. In Marokko was ik allang dood geweest. In Nederland word je gelijk geholpen. Ze deden allerlei controles om te zien of er iets mis met me was. Toen ik weer thuis was, bleek het betonblok weggehaald.

‘Ik ben altijd trots geweest op Nederland. Weet u dat de imam elke vrijdag in onze moskee een dua doet voor Nederland? Dan bidden we voor een gezond en veilig land.’

‘Sinds mijn aankomst in Nederland was het moeilijk om aan een huis te komen. Lange tijd woonde ik in het pension met andere migranten. In 1983 kon ik voor 100 duizend gulden een huis kopen, met een hypotheek van de bank. Daar kon ik met mijn gezin gaan wonen. Ze kwamen in 1985. Mijn eerste vrouw was toen al overleden, met mijn tweede vrouw had ik nog twee zoons gekregen.

‘Het ging economisch niet goed in Nederland, ik moest de bank veel rente betalen voor het huis. Ik kwam niet meer uit met mijn geld en er zat niets anders op dan het huis te verkopen. Ik kon er maar 26 duizend gulden voor krijgen. Dat was dus een groot verlies. We verhuisden naar een huurflat in de buurt. Daar woon ik nog steeds met mijn tweede vrouw en jongste zoon.’

‘Elke dag maak ik een wandeling naar het Centraal Station. Door de verbouwing is er wel veel veranderd, het is heel groot geworden, ik ken niets meer terug. Pas liep ik het station in om rond te kijken en raakte verdwaald. Ik vroeg iedereen: ‘Hoe kom ik het station uit?’ Maar niemand gaf antwoord. Totdat uiteindelijk een vrouw mij naar de uitgang begeleidde. Dat was vroeger toch wel anders. Iedereen hielp elkaar.

‘Ik voel mij een beetje zwak op het moment. De ouderdom begint te tellen. Ik heb nog de zorg voor mijn jongste zoon uit mijn tweede huwelijk. Dat is zwaar. Hij woont bij ons thuis. We hebben instellingen geprobeerd, maar niemand wil hem hebben. Hij kan niet praten en maakt met iedereen ruzie, wordt gauw agressief. Ook als hij buiten komt, valt hij mensen aan. Daarom blijft hij binnen. Alleen bij mij is hij rustig. Ik ben de enige naar wie hij luistert. Ik ben een beetje bang voor hem. Als hij mij duwt, val ik zo om en dan is het gebeurd.’

‘De vrijheid van Nederland blijf ik voelen. Alles wat van onze Heer is gekomen, accepteer ik. Zolang ik kan, zal ik voor mijn zoon blijven zorgen.’

‘Ik maak geen onderscheid. Sinds ik ben geboren hou ik van alle mensen, iedereen is mij even lief.’

geboren: in 1923 in Adouz, Marokko

woont: zelfstandig, in Utrecht

beroep: medewerker restaurant

familie: een broer, drie zussen, zijn vrouw, zes kinderen, vier kleinkinderen

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next