In een pijnlijk portret in NRC werd VVD-minister Dennis Wiersma dit weekend omschreven als een streberige stapelaar, een snackbarhouderszoon die als ongeduldige sociale stijger zijn collega’s voortdurend uitkaffert, met vele overspannen ontslagen als gevolg. Mij verontrustte vooral de passage waarin Wiersma’s socialemediagebruik werd uitgelicht. Wiersma wil elke dag op Instagram, LinkedIn en Twitter aanwezig zijn, met een tekst, foto’s, een filmpje. Zijn negentien (!) communicatiemedewerkers moeten die voortdurende eigengeilerij organiseren, al bemoeit Wiersma zich er ook actief mee.
Deze tijd- en geldverspilling laat goed zien hoe sociale media onze politiek in hun macht hebben. Nederlandse politici hebben het idee dat sociale media ons zijn overkomen en dat je wel mee móét. En dus veranderen onze politici in content creators en de Tweede Kamer in een Youtubestudio voor politieke vloggers. Maar waarom in hemelsnaam? Hebben onze politici dan werkelijk niet door dat ze hun eigen invloed ondermijnen door hun tijd en invloed af te staan aan de techdictaturen van Silicon Valley, waar hun eigen wetten niet gelden?
Het drama van sociale media is dat het allerlei zichzelf versterkende effecten heeft. Bang om achter te blijven in onze socialemediacratie, zetten partijen in op jong talent dat ‘het goed doet’ op sociale media, met lekker veel persoonlijkheid en schaapachtig gelach. En dus hou je op een gegeven moment alleen nog maar politici die sociale media omarmen over, waarmee die sociale media nóg belangrijker worden. En Big Tech ons dus feitelijk regeert, met een Kamer vol vloggende narcisten en bewindslieden op selfiejacht.
Wie Tweede Kamerleden bevraagt op hun sociale mediagebruik krijgt een zorgelijke mengeling van naïviteit en ad-hoc-argumenten te horen. Via sociale media zouden zij makkelijk contact kunnen houden met hun achterban en hun kiezers kunnen bijpraten over hun werk in de Kamer. Klinkt mooi, maar in de praktijk houden zij zich vooral bezig met het uit de context knippen van de eigen bijdrage of die van een ander, om punten te scoren.
Het argument dat via sociale media het contact met de achterban verbetert, is ook problematisch. Los van de hopeloze inefficiëntie om met elke individuele burger te communiceren, en het feit dat het vroeger toch prima ging, gaat het om de kwaliteit van de interactie. Omdat iedereen zogenaamd zijn stem kan laten horen, hebben we vakbonden, verenigingen en andere collectieven maar afgeschaft. Want nu kan het Kamerlid direct communiceren met de burger. Dat is een regelrecht drama, want elk collectief bevat filters en hiërarchieën die buitengewoon belangrijk zijn voor de kwaliteit van de bijdrage. Als alleen het menstype ‘brievenschrijver’ of ‘reaguurder’ het beleid beïnvloedt, hou dan maar je hart vast.
De afstand tussen burgers en politici is niet te groot, hij is door sociale media juist te klein. Beeldvorming was altijd al belangrijk in de politiek, maar het mag niet zo zijn dat zichtbaarheid een doorslaggevende succesfactor wordt. Sociale media ondermijnen immers alle bereidheid tot luisteren en compromissen, en voeden narcisten, nihilisten en agitators. Redelijke mensen die denken dat ze mee moeten doen, zullen onvermijdelijk verliezen.
En dus moeten onze politici een socialemediaverbod krijgen, zodat ze weer gaan doen waarvoor ze verkozen zijn. Er zit een grote schoonheid en eer in het in alle anonimiteit trekken aan wat een dood paard lijkt. Niet de theatrale aanstellers maar de consciëntieuze onzichtbaren verdienen respect.
Vooralsnog blijft de Nederlandse politiek echter hangen in de onbenulligheid van het ‘moet toch kunnen’- liberalisme. Dat is hartstikke gevaarlijk; niet tegen vooruitgang willen zijn, wordt nog eens onze ondergang.
Source: Volkskrant