Home

Hij had het verdrongen, maar Thomas spreekt Italiaans en kan met de Romeinen lezen en schrijven

Ik kan het niet over mijn dagen in Amalfi hebben, want blijkbaar waren alle Volkskrant-columnisten daar deze maand: tenminste Aaf BC, Sylvia W. en Tommy W. Heb ik van horen zeggen hè, want ik wist van niks. Met opzet, denk ik dan meteen. En dat ze dan stiekem een feestje hadden, en mij niet hadden uitgenodigd. Serieus, dat denk ik echt héél even.

Nou was ik er maar een paar dagen, en het was er echt poepsaai, dus ik heb toch niks te melden. De echte vakantie was naar Rome geweest. Dat was op verzoek van zoon nr. 1, die ineens ideeën heeft en interesses toont. Een gevaarlijke ontwikkeling.

Zelf had ik geen beste herinneringen aan Rome. Heet, vies en onaardig. Het is dan ook met enige verbazing dat ik moet constateren dat ik het de mooiste stad op aarde vind en dat ik er wil wonen.

Dat begon al bij aankomst op het treinstation. Met onkarakteristieke daadkracht beende ik voor het gezin uit, naar waar ik voelde dat de taxi’s waren. Zonder te stoppen rolde ik mijn koffertje naar het juiste voertuig, commandeerde mijn gezin op de achterbank en stapte voorin. Terwijl we door de stad laveerden, kletsten de chauffeur en ik honderduit. Hij wees dingen aan, ik stelde vragen, hij maakte grappen, ik nog betere. Op de plaats van bestemming kreeg ik een schouderklop, weigerde hij fooi, en reed hij toeterend en zwaaiend weg. Ik wendde mij tot het gezin en zag daar drie verbaasde koppen. Wie was deze papa, en hoezo sprak hij ineens Italiaans?

Tja. Daar vroegen ze me wat. Wisten ze niet dat ik ooit een cursus had gedaan? En dat ik een Italiaanse vriendin had gehad? Nee, dat wisten ze allemaal niet, en in hun ogen zag ik iets van achterdocht ontstaan. Ja jeetje, ik was het zelf ook allemaal vergeten.

De betovering hield ons hele verblijf aan. De stad, leek het, schikte zich naar mijn wil. Geen kaartjes voor het Vaticaan meer? Blijf hier maar staan, papa regelt het wel even. En dan stonden we een uurtje later met kaartjes van een straathosselaar in de Sixtijnse Kapel. Restaurant vol? Komt goed, papa gaat wel even met de ober praten. Ja jongens, kom maar, we krijgen de mooiste tafel van het terras.

Ik zou hier moeten zeggen dat ik zelf ook niet wist wat er gebeurde, maar ik wist het wél: het is de taal. Die staat hakkelen en mompelen niet toe. Alles moet luid en kordaat, en het lichaam voegt zich. En daarmee de wereld.

Een soort koorts maakte zich van mij meester. Zouden we hier niet kunnen gaan wonen? Want elke hoek die we omsloegen, vonden we weer iets prachtigs. Zo vaak, dat het blijkbaar ondoenlijk was voor de gemeente om overal bordjes op te hangen. Hier, een kuil met ruïnes waar auto’s omheen razen. Geen uitleg, niks. Even googlen: ach, dit is de exacte plek waar Julius Caesar is vermoord! Cool toch? Nee? Niemand? Iedereen moe? Geeft niks, om de hoek is een osteria waar Fellini en Mastroianni altijd aten.

In Amalfi kon mijn gezin bijkomen van de wervelwind. En met een negroni aan het zwembad zitten was voor mij ook geen straf. Maar eindeloos steegjes inslaan en ondertussen nutteloze weetjes tegen anderen blaten is meer mijn ding. Misschien gids worden? Zouden ze al gidsen hebben in Rome?

Source: Volkskrant

Previous

Next