Een hele eer, die P.C. Hooft-prijs, zegt Tijs Goldschmidt – donderdag is de uitreiking in Den Haag. Maar met al die aandacht komt de schrijver en bioloog verder nergens meer aan toe. Hoe ontstaan zijn veelgeprezen essays?
‘Ik heb nog nooit zo hard gewerkt’, verzucht Tijs Goldschmidt (1953), winnaar van de P.C. Hooft-prijs 2023. Hij ontvangt me in zijn van boeken overlopende werkkamer. Aan de muren en aan het plafond hangt kunst. Ergens is nog plek voor een bureau, een keukentje en een paar stoelen. Met het harde werk doelt hij op de uitgave van een royale keuze uit zijn essays en brieven die ter gelegenheid van de prijs in de winkel zal liggen onder de titel Dansen als de meeuwen. ‘Ik ben natuurlijk heel verguld met de prijs en alle verzoeken die ik krijg, maar ik kom verder nergens meer aan toe. Wil je koffie? Hij is heel sterk. Ik krijg vaak te horen dat ik diesel maak.’
Hard werken ziet Goldschmidt niet per se als een deugd. In 2013 hield hij een Ted-lezing over het belang van lummelen: ogenschijnlijk nietsdoen. Je ziet het veel in de natuur, hield hij zijn publiek voor, dieren die uren lijken te versuffen. Maar in een natuurlijke omgeving is niets gratis: er wordt altijd een rekening opgemaakt. Torenvalken kunnen lange tijd op een paaltje zitten en lijken dan niets uit te voeren, maar vermoedelijk inventariseren ze hun jachtterrein. Gelummel levert dus iets op. Met de lezing stak Goldschmidt lummelaars – onder wie zichzelf – een hart onder de riem.
Het was in dit geval niet alleen de blik van de bioloog die ronddwaalde, maar ook die van de zoon die van zijn vader hoorde dat hard werken een deugd is. ‘Hij zei eens over een vriendin: het is fenomenaal, ze werkt zich helemaal dood. Dat was het grootste compliment dat hij kon geven. En hij hoorde zelf helemaal niet dat het niet zo verstandig is om dat te doen. Mijn vader is zelf heel oud geworden, al heeft hij vanaf zijn 60ste gezegd: ik ben op sterven na dood… Het was een soort bezwering, denk ik. Hij belde me een keer op en toen ik mijn naam noemde, zei hij: ‘Met zijn nog niet overleden vader.’ Intussen ging iedereen dood behalve hij. Toen hij uiteindelijk stierf, was ik heel verdrietig, maar het luchtte me ook op. Er viel iets van me af. Toen begon ik me ook in dat lummelen te verdiepen en zag ik dat het voordelen heeft. Al snel volgde mijn coming-out als lummelaar. Ik wil mezelf beslist niet doodwerken, ik wil de tijd nemen om te genieten. Maar dat zijn wel dingen die ik heb moeten veroveren.’
Goldschmidt krijgt de P.C. Hooftprijs voor zijn essayistische werk. De jury roemt hem om zijn literaire stijl en het vaak verrassende perspectief. Goldschmidt ‘formuleert elegant en bedachtzaam, is een meester van de lichte ironie en zijn formuleringen zijn helder belijnd, zichtbaar zorgvuldig gecomponeerd en van een soepele talige muzikaliteit’. Goldschmidt is ook, vervolgt de jury, ‘een meester in het verschuiven van accenten, het leggen van onverwachte relaties en het opkloppen van sleetse verbanden’.
Dat dwalen is inderdaad een opvallend kenmerk van zijn essays. ‘Ik weet heel vaak niet precies wat ik ergens van vind en wil dat dan graag uitzoeken’, legt Goldschmidt uit. ‘Of ik hoor ergens iets en dan denk ik: is dat nou echt zo? Dus als ik besluit om ergens een essay over te schrijven, ga ik op zoek. Vaak kom ik dan van het een op het ander en ontdek ik dingen waar ik helemaal niet op uit was en die heel interessant blijken te zijn. Dat is voor mij een goede methode om na te denken. Eigenlijk een vorm van paalzitten. Ik heb er ook veel plezier in. Het hoort zo bij mijn manier van in de wereld staan dat het essayeren belangrijk voor me is geworden. Het voelt niet als een beroep.’
Goldschmidt brak in 1994 als schrijver door met Darwins hofvijver, een boek gebaseerd op zijn promotieonderzoek in Tanzania, waar hij als jonge bioloog keek naar baarsachtige visjes in het Victoriameer. Deze cichliden zijn heel snel geëvolueerd en sterven uit door verpaupering van het ecosysteem. ‘Dat snelle tempo van evolutie is heel ongewoon, die verpaupering helaas niet, want die zie je overal op aarde. Ik dacht dat er vast wel een wetenschapsschrijver zou zijn die dat verhaal zou opschrijven, maar dat gebeurde niet. Toen heb ik het zelf maar gedaan.’ Het schrijven van het boek was een plezierige ervaring. ‘Wetenschappelijke artikelen zijn vaak kort en vol met wiskunde, dus daar moet je je erg beperken. Ik ben altijd geïnteresseerd geweest in taal en vond het een verademing om een boek te schrijven waarin ik vrijer kon zijn, persoonlijker, en waarin ik bijvoorbeeld ook een amusante anekdote kwijt kon.’
Darwins hofvijver overstijgt het genre van de wetenschappelijke non-fictie. Het is een verontrustend maar ook meeslepend en geestig verhaal over evolutietheorie, wetenschappelijk onderzoek en het verblijf in een onbekende, vaak verrassende cultuur. Het boek werd een onmiddellijk succes, maar kreeg geen vervolg in vergelijkbaar werk. ‘Dat had ik op zich wel gewild, maar ik heb een serie tropische aandoeningen opgelopen die me lang van mijn energie hebben beroofd. Ik had niet de lange adem voor omvangrijker werk en kwam daardoor als vanzelf uit bij het essay. Het was dus niet zo dat ik dacht: weet je wat, ik word essayist. Ik ben eigenlijk een afgedwaalde bioloog.’
Het is opvallend dat onder essayisten heel wat biologen zijn, zoals een van Goldschmidts voorbeelden, Dick Hillenius. ‘Inderdaad, je hebt ook Leo Vroman, Maarten ’t Hart, Miroslav Holub… Ik denk dat biologen tijdens hun opleiding leren om scherp te observeren, niet alleen dieren, planten en landschappen, maar ook gedrag. Als je getraind wordt om lang te kijken naar individuen, begin je allerlei dingen te zien die aan de meeste mensen voorbijgaan, en daar kun je als schrijver veel aan hebben.’
Ook Goldschmidts bewondering voor Charles Darwin heeft te maken met diens observatievermogen. ‘Wat ik zo mooi vind, is dat hij heel goed keek en eenvoudige experimenten deed. Hij vroeg zich af of wormen van muziek konden genieten en dus liet hij zijn kinderen musiceren boven een bak vol wormen om te zien of ze harder gingen kronkelen. Dat neemt me echt voor iemand in, die openheid, en dan ook nog eens de werkkracht opbrengen om een dik boek over die wormen te schrijven in een tijd dat ecologie nog niet bestond en niemand begreep hoe belangrijk die wormen zijn.’
Eenmaal in gesprek over Darwin wordt Goldschmidt steeds enthousiaster. ‘Wat ik ook bewonderenswaardig vind, is hoe eenvoudig zijn evolutietheorie is. Einstein was een genie, maar zijn theorie zit vol ingewikkelde wiskunde. De evolutietheorie hadden wij bij wijze van spreken op een regenachtige namiddag zelf kunnen verzinnen. Het is gek hoe simpel die theorie is en hoe reusachtig de verklarende kracht ervan. Ik heb vaak gehoord: het kan niet waar zijn, want ik vind het een primitieve gedachte… En het waren ontwikkelde mensen die dat zeiden. Het principe van de theorie is inderdaad eenvoudig, maar een eenvoudig principe is iets anders dan een primitieve gedachte.’
Ik vraag of zijn sympathie voor Darwin ook te maken heeft met diens twijfelende aard. ‘Ik weet niet of Darwin zo’n twijfelaar was. Hij was wel zijn eigen hardste criticus, dat is een van zijn allersterkste punten. Hij had een goed oog voor de zwakke plekken van zijn theorie en heeft die goed in kaart gebracht, ook om zijn critici voor te zijn. Na zijn dood zijn al die zwakke plekken opgehelderd. In zijn tijd waren er bijvoorbeeld geen overgangsfossielen, sindsdien zijn er honderden gevonden. Hij wist niets over moleculaire fossielen, zoals de inactieve stukjes dna die tandenloze kippen hebben voor de tandvorming. Moleculair biologen kunnen dat stukje dna tegenwoordig aanzetten en dan zie je inderdaad een begin van tandvorming. Dat stukje dna is een restant van een al lang uitgestorven voorouderlijke soort.
‘Darwin wist dat natuurlijk niet. Hij wist dat er overerving van eigenschappen moest zijn, maar had geen idee wat daarvan het mechanisme was. Hij tobde ook over de ouderdom van de aarde. Vrijwel iedereen in het Westen dacht dat de aarde 6.000 jaar oud was, zoals geestelijken beweerden. De evolutietheorie veronderstelt een veel grotere ouderdom. Darwin zelf berekende op grond van het tempo van sedimenteren aan de Engelse zuidkust dat de aarde minstens 300 miljoen jaar oud moest zijn. Pas met de komst van radioactieve datering kon met zekerheid de ouderdom worden bepaald en die bleek nog veel groter te zijn, zo’n 4,6 miljard jaar.
‘Ik vind zoiets fantastisch, ook al omdat ze die methode van dateren niet hebben bedacht om de evolutietheorie te bewijzen, dat maakt het nog sterker. Ik vind het echt sneu voor Darwin dat hij dat allemaal niet meer heeft meegemaakt, dat zou ik hem hebben gegund.’
Goldschmidts essays lijken geregeld te worden gemotiveerd door engagement. ‘Nou, engagement is voor mij niet de reden om te schrijven, maar als ik kijk naar de onderwerpen waarover ik schrijf heeft dat vaak te maken met biologische diversiteit die achteruitgaat in een schrikbarend hoog tempo, klimaatverandering, de gevolgen daarvan voor kleine en kwetsbare groepen. Schaamte speelt daarin een rol, maar het heeft er ook mee te maken dat ik me eraan stoor dat mensen vaak zo vernederd worden.’
Een voorbeeld van dat laatste is het lot van de bevolking van de Asmat, een moerasachtig deel van Papoea-Nieuw-Guinea. Zijn werkkamer staat vol met kunst uit het gebied. ‘Mijn belangstelling voor de Asmat ontstond door de rijkdom van hun materië Source: Volkskrant