Home

Gerrit Poels, alias de Tilburgse ‘Broodpater’, stond één uur ’s nachts op om stiekem brood te bezorgen

N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.

Ex-priester en sociaal werker Gerrit Poels (1929-2023) hielp iedereen die dat nodig had, met een dak boven het hoofd of met stiekem bezorgd brood.

De schaterlach van welzijnswerker Gerrit Poels kon je horen wanneer „de autoriteiten weer idioot deden”, zegt zijn vrouw Angelique Poels. „Dan gaf hij niet meteen commentaar, maar begon hij eerst heel hard te lachen.” Bijvoorbeeld wanneer iemand die hij bijstond eerst door een administratieve rompslomp moest om een voorziening te krijgen van de gemeente. Als je nú hulp nodig hebt, moet je nú hulp krijgen, vond Poels.

Volgens dat devies is hij zelf altijd te werk gegaan. De Tilburgse Poels, ook wel bekend als ‘Pater Poels’ – hij was een uitgetreden priester – runde tot 1990 een crisisopvanghuis voor dak- en thuislozen. Iedereen kon gewoon in- en uitlopen; er waren slechts basale regels.

Na 1990 werd Pater Poels de ‘Broodpater’. Hij bezorgde, tot zijn 88ste, door heel Tilburg gratis brood bij mensen die het nodig hadden. Dat deed hij ’s nachts, zodat de hulpbehoevenden zich niet hoefden te schamen.

In zijn boek over Poels uit 2009, Een dwaas bestaan, beschreef Arjan Broers het strakke schema van de Broodpater. Zeven dagen per week ging hij ’s avonds om half zeven naar bed. Om één uur ’s nachts stond hij op. Dan hing hij zijn fiets vol met tassen brood en fietste hij urenlang door Tilburg om de tassen aan deurknoppen van huizen te hangen. Daarna haalde hij bij de bakker overgebleven brood op voor de volgende nacht, om dat vervolgens thuis te gaan sorteren.

Poels groeide op in Berg en Dal, nabij Nijmegen, in een arm gezin met zeven kinderen. Zijn vader was dorps-agent en erg streng voor zijn kinderen. „Voor de oorlog en in de oorlog was er geen ontkomen aan de wil des vaders”, zei Poels in 2014 in een interview met producent/regisseur Joost Van Der Werf. „En die wil was: als je goed kon leren, zou je pater, broeder of zuster worden.”

Zo geschiedde. Als twaalfjarig jongetje werd Poels naar Tilburg gestuurd en ging daar in de leer bij de Missionarissen van het Heilig Hart, een congregatie binnen de Rooms-Katholieke Kerk. Hij had daar vreselijke heimwee naar huis. En ook hier was het regime streng. Poels kon er slecht tegen. „Aan het einde van het noviciaat kreeg ik een horloge van mijn ouders”, vertelt hij in Een dwaas bestaan. „Ze moeten er lang voor gespaard hebben, want ze waren zo arm als Job. De volgende morgen moesten we onze cadeaus laten zien aan de nieuwe overste, en hij besliste wat we mochten houden. Ik moest dat horloge achterlaten, hij stuurde het naar mijn ouders terug. Onbegrijpelijk.”

In 1954 werd Poels priester, om vervolgens Nederlands te gaan doceren aan het kleinseminarie. In de loop van de jaren zestig hoorde hij van een kennis dat er in Tilburg een hulpcentrale in oprichting was. Daar wilde hij zich graag voor inzetten. Dat deed hij dermate dat hij er bij de opening in 1968 al de leiding over had. Een jaar later trad hij uit als priester. Hij vond dat de kerk dichter bij de mensen moest staan.

De hulpcentrale groeide uit tot het crisisopvangcentrum Huize Poels. Het was een onprofessionele organisatie, zonder vergunningen, subsidie, ondernemingsplan. „We hadden geen vergaderingen, er werd niks besproken, er was geen beleid”, zegt Hans Opbroek, die jarenlang het directeurschap met Poels deelde. Dat was typisch Poels: van autoriteit en bureaucratie moest hij niets hebben. De mensen konden zonder beter geholpen worden.

Iedereen was altijd welkom in Huize Poels: verslaafden, slachtoffers van huiselijk geweld, psychiatrische patiënten. „Hij stond onvoorwaardelijk klaar voor alle mensen die om welke reden dan ook dakloos waren”, zegt Opbroek. „Dat was voor ons soms lastig. Had je net met zeven kleuren stront in je broek iemand buitengezet vanwege wangedrag, begon je ’s ochtends aan een nieuwe dienst en was-ie weer opgenomen. Het was voor ons niet altijd makkelijk om de filosofie van Poels helemaal te snappen en te doorleven. Het heeft me jaren gekost om me die eigen te maken, maar ik had er altijd enorm veel bewondering voor.” Pleegdochter Nienke Poels: „De mensen komen niet voor niks, dacht hij altijd.”

Poels nam in 1990 afscheid van Huize Poels, toen het moest verhuizen naar een andere locatie het opvangcentrum uit zijn jasje groeide. Ook kwamen er gaandeweg meer regels en bureaucratie om de hoek kijken. Daar moest Poels niets van hebben, dus ging hij als Broodpater mensen op een andere manier helpen.

Waarom Poels zo graag wilde helpen, wist hij zelf ook niet zo goed. Dochter Nienke zegt dat hij een „gevoelige man” was. Zelf zei hij altijd dat hij dacht dat het misschien door zijn eigen „deuken” kwam, waardoor hij begreep hoe machteloos en verdrietig mensen zich konden voelen. Eén van die deuken liep hij op toen hij zich zo ontheemd voelde bij de missionarissen.

Een andere liep hij op in de Tweede Wereldoorlog. „Wat hij toen heeft gezien heeft zo’n indruk op hem gemaakt. Daar heeft-ie heel zijn leven last van gehad”, zegt zijn vrouw Angelique, met wie hij zes pleegkinderen grootbracht. „Tijdens het bombardement op Nijmegen heeft hij plat op straat gelegen. En voor zijn huis in Berg en Dal werden de lijken opgestapeld.” In Nijmegen en omgeving werd in 1944 zwaar gevochten tijdens Operatie Market Garden, een geallieerd offensief tegen de Duitsers. De studenten van de missionarissen waren vanwege de operatie tijdelijk naar huis gestuurd.

De rest van zijn leven heeft Poels in Tilburg gewoond. Pater Poels was daar bekend en geliefd. „Hij was innemend en intelligent”, zegt Johan Willemse, die coördinator was bij Huize Poels. „Een echte taalvirtuoos ook. Over de bewoners zei hij eens: ‘Niet alle aardbeien gaan naar de veiling.’ Als buitenstaanders dat soort uitdrukkingen hoorden, konden ze weleens schrikken. Maar de bewoners zelfs wisten dat het een grap was, of relativerend bedoeld.”

Hoewel Poels een ontzettend lieve man was, kon hij volgens Willemse „keihard grenzen stellen”. Als hij bijvoorbeeld zag dat iemand dronken een vrouw lastigviel in huis, dan zette hij ’m gewoon op straat. „Maar het was nooit een definitief afscheid.”

In deze rubriek elk weekeinde een portret van iemand die recent is overleden.

U kunt ons via dit formulier informeren over taalfouten of feitelijke onjuistheden, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken worden niet gelezen.

Source: NRC

Previous

Next