Home

En dan nu het briljante: een factcheck aan het einde van de podcast

Is het erg als een wetenschapper iets zegt dat niet klopt? Dit lijkt misschien een retorische vraag, want je zou in principe toch hopen dat wetenschappers hun feiten goed op orde hebben. Toch zijn er goede redenen om als wetenschapper soms iets te zeggen dat niet klopt.

Het kan gebeuren dat je te goeder trouw denkt te weten hoe iets zit, maar dat later blijkt dat het toch anders in elkaar steekt. De geschiedenis is bezaaid met slimme theorieën die achterhaald zijn door nieuwe wetenschappelijke inzichten, van de gedachte dat leven spontaan kan ontstaan uit dood materiaal tot het idee dat het heelal gevuld is met ether. Het hoort bij wetenschap dat je de beste theorie op dat moment geeft en ook nu zijn er ongetwijfeld wetenschappelijke theorieën die over een paar honderd jaar totaal achterhaald zijn.

Dat betekent niet dat je nu dan niet over onze huidige theorieën kunt praten. Maar het is wel zo netjes om als wetenschapper duidelijk te maken hoe zeker je bent van de ideeën die je verspreidt – en ook om te vertellen hoe je aan die zekerheid komt, welke methoden er gebruikt zijn, welk bewijsmateriaal we verzameld hebben en welke voorbehouden er te maken zijn.

Een andere goede reden om soms iets te zeggen dat niet klopt, is dat je een echt gesprek wilt voeren. Als je een stuk schrijft of een lezing geeft, dan kun je alles goed voorbereiden, feiten waar nodig opzoeken en zorgen dat je alles precies goed formuleert. Maar als je met iemand praat, dan slaat een gesprek soms een zijpad in en het komt het gesprek niet ten goede als je dan alleen dingen wilt zeggen die je 100 procent zeker weet.

Zelf worstel ik hier geregeld mee als ik met mensen over wetenschap praat, bijvoorbeeld na een lezing of in een podcast. Dan noemt mijn gesprekspartner een interessant onderwerp en herinner ik me een studie daarover. Meestal weet ik dan wel nog de globale conclusies, maar niet wie precies de auteurs waren en of het nou over 12 procent of 15 procent van de bevolking ging. Meestal houd ik dan maar mijn mond, of ik probeer de informatie stiekem op mijn telefoon op te zoeken – wat het gesprek doorgaans ook niet ten goede komt.

De podcast No Stupid Questions van journalist Stephen Dubner en psycholoog Angela Duckworth heeft een briljante oplossing gevonden voor dit probleem. In dit programma beantwoorden Dubner en Duckworth vragen van luisteraars, zoals ‘Hoe kun je betere cadeautjes geven?’, vanuit de wetenschappelijke literatuur. Ze bereiden elk een deel voor, maar zoals in veel podcasts meandert het gesprek allerlei kanten op. En dan nu het briljante: elke aflevering eindigt met een factcheck van wat de presentatoren gezegd hebben.

De producent zegt aan het einde van de aflevering dan bijvoorbeeld: ‘Angela zegt dat ze denkt dat Stephen Covey de bedenker is van de uitdrukking ‘win-win’. Deze uitdrukking is in werkelijkheid afkomstig van Mary Parker Follett, een socioloog en adviseur voor president Theodore Roosevelt in het begin van de 20ste eeuw.’ Of: ‘Stephen dacht dat ongeveer 30, 31 of 32 Amerikaanse staten onlinesportgokken toestaan. Hij zat in de buurt: het zijn er 33.’

Als dat geen win-winsituatie is: een echt gesprek én toch feitelijk juist zijn.

Over de auteur

Ionica Smeets is hoogleraar wetenschapscommunicatie aan de Universiteit Leiden. Ze is wiskundige en schrijft sinds 2009 columns voor de Volkskrant.

Source: Volkskrant

Previous

Next