Home

Tramhaus een protestband? Welnee. Maar over gentrificatie worden ze wel ‘keer op keer’ erg boos

Je hebt Rotown, V11, Annabel en nog meer mooie podia, maar vrijdag 19 mei gaat rockband Tramhaus een bijzondere mijlpaal beleven: een ‘thuiswedstrijd’ in de Maassilo in Rotterdam, de betonnen kolos aan de Maashaven, een Rotterdams icoon met ruim een eeuw geschiedenis.

Ze zijn net teruggekeerd uit Brighton, waar Tramhaus op festival The Great Escape speelde. In Rotterdam moet het een voorlopig hoogtepunt worden, voor achthonderd mensen, onder wie héél veel vrienden en bekenden uit de Rotterdamse scene.

‘Het was een idee van Stephan Maaskant van Rotown’, zegt Lukas Jansen, de lange zanger met matje en snor. ‘Ik zei: de Maassilo? Die krijgen we nooit vol. Stephan wist zeker van wel.’ Nadya van Osnabrugge, gitarist: ‘Ik dacht: misschien raakt het uiteindelijk uitverkocht, maar het gebeurde vrijwel direct. Dat hadden we niet verwacht.’ Micha Zaat, ook gitarist: ‘We zijn de eerste Rotterdamse band in een uitverkochte Maassilo.’

Daar zitten we dan, het werd een keer tijd: Tramhaus in gesprek met de Volkskrant. Hoe goed en ruig de band is, stond al een paar keer in de krant. Bijvoorbeeld toen eind 2021 de grommende debuutsingle I Don’t Sweat uitkwam, toen in juni vorig jaar de maatschappelijk geëngageerde videoclip bij Make It Happen verscheen (waarover later meer) en ook toen de band op de meest recente editie van Lowlands de ‘lawaailoods’ X-Ray op stelten zette.

In de Volkskrant-verkiezing van Nederlandse popbeloften voor 2023 eindigde Tramhaus (Nederlandse stijlgenoot van een band als de Viagra Boys) op de tweede plek, vlak achter Personal Trainer. We spreken de band op een zondagochtend in Crooswijk, thuis bij drummer Jim Luijten. De hele band heeft zich verzameld: Julia Vroegh (bas) en Micha Zaat (gitaar) completeren het vijftal.

Een paar zaken vielen op toen Tramhaus (in 2020 opgericht door vijf muzikanten die al in andere Rotterdamse bands speelden) eind 2021 voor het eerst echt naar buiten trad. Ten eerste: ze afficheerden zich nadrukkelijk als Rotterdams, zoals bijvoorbeeld Lewsberg (vernoemd naar de Rotterdamse cultschrijver Robert Loesberg) en Rats On Rafts (met albumhoezen vol Rotterdamse details) dat ook deden, zeker in hun eerste jaren. Een luidkeels ‘Rotterdam, make it happen!’ (sneer naar de officiële marketingslogan van de stad) en een debuut-ep getiteld Rotterdam hebben van Tramhaus’ afkomst een onderwerp gemaakt waar je niet omheen kunt.

‘Klopt’, zegt Jansen, ‘Rotterdammers zijn trots, zoals inwoners van de tweede stad van een land wel vaker extra trots zijn. Denk aan Hamburg en Porto. Hoe de lokale scene van bands zich heeft ontwikkeld, met Rotown als middelpunt, en hoe iedereen elkaar steunt, dat is ook iets om trots op te zijn. Ik heb de Rotterdamse trots ook als kind meegekregen.’

‘In Rotterdam moet je voor cultuur en progressieve ideeën vaak wat harder je best doen’, zegt Zaat. ‘Er is minder politiek draagvlak voor dan in Utrecht of Amsterdam. Daar word je ook extra strijdbaar van.’

Tweede vaststelling: goede rockbands zijn er in Nederland wel meer, maar Tramhaus behoort tot een zeldzamere soort, namelijk het slag dat een beetje gevaarlijk voelt. Niet door agressie in de vorm van volume of snelheid, maar vanwege een onderhuidse, grommende spanning. Lastig uit te leggen, maar in allerlei buitenlanden voelen ze het ook.

Jansen grijnst: ‘Meestal komt dan het woord ‘rauw’ ter tafel.’ Hij herhaalt: ‘Rrrrrauw.’ Zaat: ‘Vragen over Rotterdam vind ik op zichzelf niet vervelend: we komen er vandaan en dragen dat ook uit. Maar ik word wel moe van de clichés over Rotterdam: hard werken, arbeidersmentaliteit en alles is altijd maar rauw. Alle bands uit Rotterdam zijn kennelijk rauw.’ Vroegh, theatraal aangezet: ‘Wat zit er toch in het water, daar in Rotterdam? Dat is soms wel irritant, ja.’

Gauw verder dus, naar het derde opvallende kenmerk: Tramhaus is een band met een boodschap, een sociaal engagement waaraan niet veel jonge gitaarbands zich nog wagen. Van het krappe dozijn liedjes dat Tramhaus tot dusver officieel uitbracht, verspreid over singles, een ep en een bijdrage aan een Rotterdamse compilatie (Calls from the Hull, 2022), trok Make It Happen de meeste aandacht. Niet in de laatste plaats door de opvallende videoclip die Thomas William Foster erbij maakte: een videoreportage vanuit het met de sloop bedreigde volkswijkje De Wielewaal in Rotterdam-Zuid.

‘Die video was niet eens ons eigen idee’, zegt Jansen. ‘Thomas kwam met het voorstel. Maar het sloot natuurlijk wel goed aan bij het nummer, over die stadsslogan die ik nogal misplaatst vind: Make It Happen! Oftewel: als je maar hard genoeg werkt, word je vanzelf een succes. Het neoliberale verhaal. De werkelijkheid is vaak heel anders. In De Wielewaal moeten mensen met lage inkomens hun huis uit en in andere delen van de stad dreigt hetzelfde te gebeuren nu Rotterdam populairder en duurder wordt. Daar maak ik me boos over. Elke keer dat ik het zing, word ik weer boos.’

En toch: op de vraag of Tramhaus een maatschappelijk geëngageerde band is, is er twijfel bij alle vijf. Niet echt. Ja en nee. ‘We zijn hier en daar ‘protestband’ genoemd’, zegt Jim Luijten. ‘Zo voelen we dat zelf niet. We zijn geen Hang Youth, dat over zo ongeveer elk denkbaar politiek onderwerp een liedje maakt.’ ‘Maar we zijn wel... maatschappijkritisch?’ oppert Van Osnabrugge.

Feit is dat de sociale betrokkenheid van Tramhaus niet alleen in Make It Happen naar voren komt. In februari verscheen de single The Goat, door Lukas Jansen gekscherend ‘een liedje over geitjes’ genoemd, maar vraag even door en de dubbele laag wordt duidelijk. ‘Ik zat naar een documentaire over geitjes te kijken. Die beesten blijken een strenge hiërarchie te hebben: de laaggeplaatsten eten als laatste, ze moeten het doen met wat over is. Het liedje gaat over de geit die het laagst in de pikorde staat: hij vecht zich vrij, vormt een soort clan en knokt zich omhoog, tot hij als eerste mag eten.’

Over de auteur

Menno Pot is sinds 1998 muziekjournalist van de Volkskrant. Hij schrijft recensies, interviews en langere verhalen over popmuziek.

Ander voorbeeld: Karen Is a Punk, over een ‘witte vrouw van vijftig’ die nooit blijk heeft gegeven van enig politiek engagement op welk vlak dan ook, maar tijdens de pandemie ineens woedend is op het systeem en zichzelf wijsmaakt dat ze een soort verzetsstrijder is. ‘Dat vind ik dan grappig’, zegt Jansen. ‘Dan komt er een liedje.’ En het maakt hem boos? ‘Ja, dat ook. Nogal.’

Of neem Seduction, Destruction, van de ep Rotterdam, over ongelijkheid tussen man en vrouw. Het vertrekpunt is Jansens woede over het feit dat er mensen bestaan die blijer zijn met een zoon dan met een dochter: ‘The stars stood right that night/ as the mum gave birth to her young one/ The doctor confirmed: it was a boy/ and the parents couldn’t be happier.

‘Over die ongelijkheid, het ingesleten seksisme, daar kunnen Julia en ik over meepraten’, zegt Van Osnabrugge. ‘Het zit in kleine dingen. Laatst ontdekten we op een festival dat een geluidsman de gitaar van Micha harder had afgesteld dan die van mij. Hij had maar gewoon aangenomen dat Micha de leadgitarist zou zijn.’ Vroegh schudt haar hoofd: ‘Hij was verder heel aardig, maar toch dacht hij intuïtief: waarschijnlijk speelt het meisje een beetje mee. Hoe dat werkt, hebben mannen vaak zelf niet eens in de gaten.’

Als Jansen zo’n tekst schrijft, denkt hij aan de vrouwen in zijn leven. Vriendinnen. Zijn zus. En dan wordt hij weer boos. Hij schrijft over dingen die hem ‘emotioneel maken’. ‘Die blijven lekker zeer doen. Boosheid is voor een zanger en songschrijver een fijne emotie, omdat hij makkelijk is op te roepen.’

Toch is het geen bewuste keuze om politiek getinte liedjes te schrijven: ‘Ik schrijf gewoon liedjes, punt. En omdat ik nu eenmaal iemand ben die zich boos kan maken over maatschappelijke onderwerpen, komt dat min of meer vanzelf in mijn liedjes terecht, maar ik voel nooit de plicht om me ergens over uit te spreken. Het moet vanzelf gaan. Het gebeurt of het gebeurt niet.

‘Er kleven ook wel nadelen aan. Voor je het weet, moet je naar aanleiding van zo’n videoclip in discussie over een politiek onderwerp als huisvesting, zoals me laatst in een interview overkwam. What the fuck, ik ben geen politicus met dossierkennis, we hebben er geen onderzoek naar gedaan. Ik heb een liedje geschreven over die slogan en waarom ik hem wrang vind, maar voor je het weet zit je tegenover een of andere wethouder die je met cijfers om de oren slaat. Hallo, zo denk ik er echt niet over na als ik iets van me af schrijf.’

Vooralsnog zullen die teksten over ‘dingen die me emotioneel maken’ hun weg naar buiten vinden in losse liedjes. Tramhaus heeft net Source: Volkskrant

Previous

Next