Het is mijn persoonlijke gevoel dat nu toch wel zo’n beetje het moment is aangebroken om alles uit onze handen te laten vallen en de klimaatramp te gaan bestrijden, te redden wat er te redden valt, je kunt niet weten, er is altijd een kans.
De droogte en de hitte rukken op, de woestijn kom eraan, de bomen branden al vanaf Kerstmis. Om me heen hoor ik mensen zeggen dat ze nog even snel naar die gletsjer in Afrika vliegen, voordat-ie definitief gesmolten is, of dat het in Zuid-Europa zo heet is geworden dat ze zomers voortaan naar Bonaire gaan. Ze zijn nog lief en slim ook, dat is het verontrustende.
Als het water komt, hoef je niemand te roepen. Dan staat iedereen meteen in de rij om zandzakken door te geven. Rang en stand spelen dan geen rol, volgens de overlevering, want iedereen doet mee, van jong tot oud, van de rijkste graaf tot de laagste riooljournalist. Maar nu komt de droogte en is er niemand die een zakje water vult.
Soms lijkt het alsof we elkaar staan aan te loeren alsof het weer corona is, maar ditmaal zonder enige serieuze belangstelling er iets tegen te doen, zonder serieuze belangstelling tout court, behalve in zaken die de dingen snel erger kunnen maken. En, nog vakantieplannen? Naar welke ring van de hel gaat de reis?
Twee denkstapjes maar, en je loopt al met je nieuwe plastic schoenen door de lethargie. Eerst moesten we geloven dat individuen iets konden doen tegen waterverspilling, door bijvoorbeeld korter te douchen. Intussen weten we dat particulieren maar een procent van het water verbruiken en de industrie gewoon grandioos blijft verspillen, en nu willen we geloven dat het niets uithaalt wat we doen.
Omdat ik een haar beter ben, heb ik deze week de tegels geschrobd met water en groene zeep, mompelend: nietsdoen is een bewuste keuze en alle kleine beetjes helpen. Het kostte me drie tennisarmen en een hernia, maar, dacht ik later, in een hoek van 90 graden onderweg naar de doksterpost, toch goed dat altruïsme niet bestaat, want nu had ik niet alleen de tuin geholpen, maar zelf ook nog een mespuntje nuttigheidsgevoel opgesnoven. Dubbele winst, kortom, twee voor de prijs van één.
De meerderheid van de Nederlanders gelooft intussen dat er een klimaatprobleem is, onder menselijke invloed, meldden de kranten kortgeleden. We moesten er behoorlijk blij mee zijn, begreep ik, zo opgeruimd als de berichten klonken, maar als ons inzicht in dit tempo blijft voortschrijden, daalt het besef dat we ons leven moeten veranderen niet voor het uitsterven in.
Twee werkelijkheden, die van de mens en die van de natuur – hoelang nog kunnen ze vredelievend naast elkaar blijven bestaan?
Twee jaar geleden zag de vakantieganger rook in de verte. (In het eerste plaatje van de prijswinnende spotprent van Jip van den Toorn zitten twee vakantiegangers in het vliegtuig.) Vorig zomer kregen we vanaf de camping een unieke kans om een bosbrand eens van dichtbij te kunnen bekijken. (Op plaatje twee is het een jaar later: dezelfde vakantiegangers in hetzelfde vliegtuig, maar nu zegt er een: ‘Eigenlijk kan dit dus niet.’)
Meer plaatjes heeft de spotprent niet. Het derde kunnen we zelf maken. Deze zomer: fikkende tenten, en de tekst: ‘Wat een pech.’
Source: Volkskrant