Onvoorstelbaar. Tientallen meters aan adoptiedossiers zijn vernietigd. Door een gevoelloos ambtenarenapparaat door de shredder gehaald. Mensen met een adoptieachtergrond hebben vaak een schreeuwende behoefte aan deze informatie. Omdat elk snippertje misschien antwoord kan geven op hun meest basale levensvragen.
Over de auteur
Harriët Duurvoort is publicist. Zij schrijft om de week een wisselcolumn met Heleen Mees.
Wie ben ik? Wie zijn mijn ouders? Waarom konden ze niet voor me zorgen? Waar kom ik vandaan? Waar hebben ze me naartoe gebracht? Waarom heb ik dit uiterlijk, deze kleur? Waarom ben ik terechtgekomen in een ander land? Waarom in Europa? Waarom in Nederland? Waarom in dit adoptiegezin? Wie, wat, waar, waarom, hoe?
Het zijn eindeloos veel vragen die, als ze onbeantwoord blijven, verdriet en een levenslang trauma tot gevolg kunnen hebben.
Het willen weten waar je van vandaan komt is een fundamentele bouwsteen in het menselijke bestaan. Het verdriet van kinderen van zaaddonoren laat ons zien hoe diep dat verlangen kan zijn, hoe het in het duister tasten de bodem onder je leven vandaan lijkt te halen.
Voor geadopteerden kun je daar nog flink wat scheppen bovenop doen. Want hoe liefdevol je ook wordt opgevangen in je adoptiegezin; gescheiden worden van je biologische moeder is al traumatiserend. Laat staan de chaos van afgestaan worden, verblijven in een tehuis en van plek naar plek gesleept worden. Al in de baarmoeder hecht een foetus zich aan de moeder, weten we inmiddels uit onderzoek. Een foetus raakt vertrouwd met de stem en bewegingen van de moeder en begint in de laatste termijn van de zwangerschap zelfs met het leren van de taal.
‘Zolang ik niet weet wie ik ben, kan ik niet van mijzelf houden’, zegt Olivier Rousteing in de indrukwekkende Netflixdocumentaire Wonder Boy. De Franse modeontwerper neemt de kijker mee in een intieme, frustrerende zoektocht naar zijn herkomst. Je voelt hoe wezenlijk dat mapje met wat documenten voor iemand is. Hoe pijnlijk en verdrietig de informatie in die documenten ook is.
Toegang hebben tot afstammingsinformatie moet een uitgangspunt zijn bij alle regelgeving en debat rondom adoptie, maar ook voor donorkinderen en draagmoederkinderen. Het recht op privacy van adoptieouders, zaaddonoren, draagmoeders, maatschappelijke organisaties en ook afstandsouders moet ondergeschikt zijn aan het recht op afstammingsinformatie.
Want het kind is de meest weerloze partij en heeft er niet om gevraagd met een levensgroot trauma of een reactieve hechtingsstoornis opgezadeld te zijn. Iets waar wensouders zich terdege van bewust moeten zijn, omdat het ook bij hen groot verdriet kan veroorzaken. Omdat woede en pijn op de langere termijn kunnen leiden tot een moeizame, ernstig verstoorde of zelfs verbroken relatie met het kind. Geef eventuele behoefte aan herkomstinformatie altijd, zo mogelijk, dus zo veel mogelijk de ruimte.
‘Ik ben 30 jaar. Stel je voor dat ik 80 of 90 word, 100 als het meezit. Dat wil zeggen dat ik de komende 60 jaar niet weet waar ik vandaan kom’, aldus Rousteing in zijn documentaire. Dat is zelfs voor ons gezin– mijn moeder werd geadopteerd – herkenbaar. Wat hadden we verschrikkelijk graag een dossier met informatie in ons bezit gehad. Een dossier van meer dan 95 jaar geleden. Maar er is niets.
Het is niet voor iedereen hetzelfde. Er zijn geadopteerden die zich juist ongemakkelijk voelen met het wroeten in de eigen afstamming, die rust en aanvaarding hebben gevonden en bang zijn om oude wonden open te rijten. Maar voor veel anderen is het een fundamentele behoefte.
Het liefst wil je dat iedereen die een leven lang vol vragen zit, als hij of zij dat wil, met een paar klikken in een beveiligde omgeving toegang krijgt tot de informatie die het fundament vormt van het eigen bestaan. Dat de overheid die meest wezenlijke, intieme informatie heeft vernietigd, is misdadig. Schadevergoeding is op zijn plaats.
Zodat adoptiekinderen bijvoorbeeld niet zelf kostbaar dna-onderzoek hoeven te financieren. Of om een reis te kunnen maken naar hun land van herkomst, al dan niet op zoek naar familie. Waar mensen op je lijken. Waar een cultuur te vinden is waarnaar je een brandende nieuwsgierigheid en een diepe verbondenheid voelt. Omdat het een leemte vult.
Source: Volkskrant