Home

‘Ze zag ons, stond op en trok de voordeur open. ‘Kom maar binnen’, zei ze met angstige ogen’

‘Mijn vrouw is vier maanden geleden overleden. Zoals Remco Campert het zo mooi verwoordde: ik mis niet zozeer haar, ik mis óns. Sinds haar overlijden moet ik vaak denken aan die ene melding. Ik had piket en sliep in de logeerkamer, zodat mijn vrouw rustig kon doorslapen als ik een oproep kreeg. Ik was chef van de verkeersongevallenanalyse bij de forensische recherche.

‘Midden in de nacht belde de meldkamer: of ik naar een botsing in Helmond tussen een trein en een scooterrijder wilde gaan, er was een dode gevallen. Ik belde mijn collega Johan, die ook piket had – want onderzoek naar een dode doe je altijd met z’n tweeën –, kleedde me aan en stapte in de dienstauto.

‘Binnen een halfuur arriveerden we gelijktijdig in het donker bij die spoorwegovergang. Het was er druk. Ramptoeristen stonden strak tegen de afzetlinten, we zagen een ambulance en een lijkwagen, een persfotograaf maakte opnamen. Wij groetten mensen van ProRail, de brandweer, collega’s van de basisdienst, de officier van dienst en een forensisch arts. De trein stond een eind verderop stil, de spoorbomen bleven gesloten, de bellen rinkelden onophoudelijk. Ambulancemedewerkers gingen naar een volgende klus, zij konden niets meer betekenen.

‘Johan en ik trokken witte overalls en handschoenen aan. Samen met het uitvaartpersoneel borgen we het lichaam in een lijkzak op een brancard. Het slachtoffer, een tiener, had geen telefoon of identiteitspapieren bij zich. Een collega zei dat de camera aan de voorgevel van een buurtbewoner alles had gefilmd, we konden de beelden ter plaatse bekijken. Daarop zagen we hoe in de nacht de spoorbomen sloten, de lichten gingen knipperen, een scooter met een helmloze jongen rustig naderde. Hij slalomde om de gesloten spoorbomen en op dat moment komt een intercity aanrazen. Stofwolken. Noodstop van de trein.

‘Collega’s begeleidden de lijkwagen naar het mortuarium. Na overleg werd de scooter veiliggesteld voor sporenonderzoek. Alles werd geborgen en opgeruimd. De brandweer deed z’n werk, de linten werden verwijderd, de machinist werd vervangen door een collega, de bomen gingen omhoog, het rinkelen stopte, de trein reed verder en iedereen vertrok. Het werd weer stil. Niets duidde erop dat hier een ernstig ongeval had plaatsgevonden.

‘Een geëmotioneerde collega van de uniformdienst herkende het slachtoffer, een 19-jarige jongen die nog thuis bij zijn moeder woonde. Als wijkagent had ze vaker met het probleemgezin te maken gehad. Ze ging liever niet het slechtnieuwsgesprek voeren, en vroeg of wij dat wilden doen.

‘Uit zelfbescherming doen we dat gewoonlijk niet, wij hebben te veel met doden te maken, maar om die collega te ontlasten gingen we diep in de nacht naar die moeder. Onderweg spraken we af dat ik het gesprek zou voeren. Ik probeerde me zo veel mogelijk te herinneren van de cursusstof over het voeren van een slechtnieuwsgesprek, zelfdoding, gevoelsreflectie, open vragen stellen enzovoort.

‘We parkeerden onze dienstauto een straat eerder om niet op te vallen, en liepen naar het adres. Het rijtjeshuis grensde direct aan de stoep. In de onverlichte woonkamer zag ik een vrouw op een stoel achter het raam zitten. Ze zag ons, stond op en nog voordat we konden aanbellen trok ze de voordeur open: ‘Kom maar binnen’, zei ze met angstige ogen. ‘Is mijn jongen dood?’

‘We droegen geen uniform, dus we knikten verbijsterd, ze was ons voor. ‘Ik was al bang dat dit eens zou gebeuren’, vervolgde ze. Ze zat al uren ongerust voor dat raam op haar zoon te wachten.

‘Binnen, aan tafel, zocht ik naar empathische woorden. ‘Ik kan me goed voorstellen…’, zei ik en meteen onderbrak ze me: ‘Is er van jou ook een kind overleden?’ Ik schudde mijn hoofd. Nee, gelukkig niet.

‘‘Dan kun jij je dit helemaal niet voorstellen’, zei ze op verwijtende toon. En ik dacht: natuurlijk, ze heeft helemaal gelijk, hoe kon ik zoiets stoms zeggen? Haar verwijt kwam als een mokerslag bij me binnen. Ik werd er stil van, ik wist even niks te zeggen.

‘Nu ervaar ik zelf wat ze bedoelde. Sinds het overlijden van mijn vrouw vraagt iedereen hoe het met me gaat. Soms word je moe van die vraag, en zeg je ‘het gaat wel’ om ervan af te zijn. Maar tegen sommige mensen zeg je hoe het echt gaat, dat het heel erg wennen is, bizar eigenlijk, om een tafel te dekken met maar één bordje erop, of het bed te verschonen en dan maar aan één kant het hoeslaken te vervangen. Van die simpele dingen die ineens heel confronterend zijn.

‘Als je veertig jaar getrouwd bent, mis je: ‘Hoe was jouw dag?’ ‘Wat ga je doen?’ ‘Waar gaan we naartoe op vakantie?’ Die vanzelfsprekendheden zijn in één keer allemaal weg, verdwenen. Als mensen dan zeggen: ‘Dat kan ik me heel goed voorstellen’, denk ik: nee, dat kun je niet. En dan gaan mijn gedachten automatisch naar die moeder in die nacht.’

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next