Alie Eenhuizen-Doldersum is 100 jaar. Hoe kijkt zij terug op de eeuw die achter haar ligt? En hoe ervaart ze haar oude dag?
Tot 1,5 jaar geleden woonde Alie Eenhuizen-Doldersum nog zelfstandig en kookte ze dagelijks haar eigen potje. Na een val – en de door veel ouderen gevreesde gebroken heup – herstelde ze weer, maar volgde de onvermijdelijke verhuizing naar een kamer in een verzorgingshuis. Het meest mist ze elke dag zelf te kunnen bepalen wat ze eet. Daarom komt haar dochter twee keer per week langs met haar lievelingskostjes. Dat betekent elke zondag patat met mayonaise.
‘De zuster die mij kwam oprapen, zei: ‘En nu lacht u er ook nog bij!’ Ja, reageerde ik, moet ik dan huilen? Daar bereik je niks mee. Het is onbegrijpelijk dat ik zo oud ben geworden en nog zo gezond ben. Bij mijn geboorte woog ik nog geen drie pond. Ze droegen mij op een kussen, zo iel was ik. In mijn jeugd was ik bijna altijd ziek. Noem een ziekte en ik heb het gehad: mazelen, roodvonk, bronchitis, de bof. De dokter vroeg: ‘Pakt ze soms alles van de straat op?’ Hahaha. Volgens mijn moeder ben ik groot geworden met een banaan. Eten wilde ik niet. Op mijn 15de woog ik nog maar 50 pond. Mijn kinderen kenden mij niet anders dan met hoofdpijn. Op mijn 38ste kwam ik in de overgang. Sindsdien voel ik mij beter dan ooit en ben ik nooit meer ziek geweest.’
‘De eerste dag op de lagere school vroeg de directeur: ‘Wat moet dat kleine ding hier?’ Kinderen noemden mij een scheel misbaksel. Vanaf mijn 4de droeg ik een bril, maar scheel was ik niet. Onderwijs werd niks, ik was te vaak ziek om alles te kunnen bijbenen. Veel later ging ik naar de avondhandelsschool. De leraren gingen staken en van de lessen kwam niet veel meer. Het was oorlog, de docenten zaten in het verzet. Een van hen werd doodgeschoten. Wat leren betreft, zat alles mij tegen.’
‘Fantastisch. Ik ben opgegroeid in een heel fijn gezin met twee zussen. Het kon niet beter. Mijn ouders waren lieve mensen. Ik kan mij niet herinneren dat ze ooit kwaad werden. We kregen veel aandacht, ze verwenden ons tot en met. We kregen speelgoed en als er wat was, werden we geholpen. Omdat ik vaak niet naar school kon, regelden ze bijles van meneer Kruithof, een onderwijzer. Zo leerde ik toch lezen, schrijven en rekenen.’
‘Ik heb geleerd mij makkelijk aan te passen. We zijn zó vaak verhuisd. Mijn vader werkte in Drenthe aan de spoorrails, daarom woonden we in een wachtposthuisje aan het spoor, dan weer hier en dan weer daar, in Koekange, in Echten, in Hollandscheveld... Voor mijn moeder zal het niet makkelijk geweest zijn altijd in een negorij te wonen. Er waren geen winkels, de melkboer en bakker kwamen niet langs. Naar een winkel of school was het minstens een half uur lopen door de modder. Toen mijn vader werd overgeplaatst naar de provincie Groningen, werden we daar ‘die domme Drenten’ genoemd.
‘Mijn vader en moeder konden alles zelf. Vader maakte schoenen, mijn moeder kleren. Dat moest ook wel, want schoenen en kleding kopen was te duur. Maar armoe hebben we niet gekend.
‘Onze ouders hebben ons vrijzinnig opgevoed. Zelf kwamen ze uit een gelovig gezin, mijn moeder hervormd en mijn vader veel strenger, christelijk gereformeerd. Toen mijn moeder voor het eerst bij zijn ouders thuis kwam, noemden ze haar een slechte meid, omdat ze lichte kousen droeg. Mijn ouders hadden niets met het geloof, maar spraken er nooit kwaad over. Op school leerde ik wel bidden en danken.
‘In Hoogeveen telde je niet mee als je niet gelovig was. De bevolking was erg conservatief. Weet je dat bijna iedereen in Hoogeveen tijdens de oorlog in het verzet zat? Dat ging van de kerken uit. Ik ging werken op het distributiekantoor en kon daar broodbonnen weghalen voor mensen op onderduikadressen; die bonnen bracht ik samen met een meisje rond. Ook hielp ik bij het regelen van onderduikadressen.’
‘De wereld staat op zijn kop, alles is anders geworden, ook in de gezinnen. In mijn jeugd deden we vaak spelletjes. En ’s avonds werd er een krant op tafel gelegd en gingen we met zijn allen pinda’s doppen. Dat zie je tegenwoordig niet meer. De Valencia’s waren trouwens de lekkerste pinda’s.
‘Op zich vind ik het wel goed dat moeders tegenwoordig werken en vaders ook zorgen, maar de kinderen mogen er niet onder lijden. Ik heb het er moeilijk mee dat baby’s naar de opvang worden gebracht. Ouders hebben dan geen zicht meer op ze. Misschien ben ik te zacht opgevoed. Als ik uit school kwam, stond de thee klaar. Ik denk dat de meeste kinderen dat nu niet meer kennen. Er zijn nu jongens van 13 en 14 die stelen en inbreken. Ik vraag mij dan af of die jongens thuis genoeg aandacht krijgen. Vroeger was er ook van alles mis, maar niet zo erg als tegenwoordig. Ik vind het een rare wereld.’
‘Toen de Joden werden weggehaald. In Hoogeveen waren Joden met prachtige zaken, zoals kledingzaken en De Gruijter, de kruidenierszaak waar ik werkte. De eigenaren verdwenen allemaal, de winkels kwamen leeg te staan. In de winkel van De Gruijter kwamen de Duitsers vaak rondneuzen, daar werd ik doodzenuwachtig van. Op een dag kwamen ze onze chef halen en zeiden dat hij naar Westerbork verhuisde om daar een nieuwe zaak te beginnen. Daar geloofden wij natuurlijk niks van. We wisten helemaal niet dat hij Joods was.’
‘Mijn man Gerrit. Hij is bijna dertig jaar geleden overleden. Zijn moeder stierf toen hij 3 jaar was. We hadden zes jaar verkering toen hij mij schreef dat hij het uitmaakte, omdat hij niet wist wat hij wou. Een jaar later kwam hij bij mij terug, en kort daarna vertelde hij naar Nederlands-Indië te willen vertrekken. Ik zei hem dat ik niet nóg een keer op hem ging wachten. En toen besloot Gerrit te blijven. We zijn in 1946 getrouwd.
‘In de oorlog was Gerrit militair en na de bevrijding is hij dat nog een tijdje gebleven, totdat hij in Zwolle bij de spoorwegen kon werken, als conducteur. Elk jaar kreeg hij opslag. Omdat er woningnood was, woonden we in bij een echtpaar. Die man begon te mopperen of te schreeuwen als onze baby huilde of een speelgoedblokje uit de box liet vallen. Om problemen te voorkomen, liep ik de hele dag met de kinderwagen over straat. Dat was geen doen. Ik belde aan bij de burgemeester en smeekte om een eigen woning. Hij luisterde echt naar mij en hielp ons aan een oud huis.
‘In Zwolle spraken de mensen heel deftig, Hollands, dat paste niet bij mij. Als Zwollenaren mij in de winkel van de aardappelboer hoorden praten, zeiden ze dat ze mijn Drents armoedig vonden klinken. Mensen zijn kinderachtig.
‘Mijn man wilde niet meer dan één kind. De bevalling van de eerste vond hij een lijdensweg voor mij. Hij was er helemaal van in de war; het bloeden, inknippen, de hechtingen, daar kon hij niet tegen. Dat kwam misschien ook door alles wat hij in de oorlog als militair had meegemaakt. Hij heeft gevochten op de Grebbeberg, was in Rotterdam na de bombardementen en heeft in loopgraven gezeten. Later, op zijn werk, werd hij er altijd bijgehaald als er een ongeluk was op het spoor, als iemand zich voor de trein had gegooid. Hij praatte er nooit over.
‘Ik werd zwanger van ons tweede kind, een zoon. Hij stierf na drie dagen, een hartklep bleek niet gesloten. De kinderarts zei: ‘Wat je lichamelijk lijdt, lijd je nu ook geestelijk’ en adviseerde mij snel opnieuw zwanger te worden. Ik heb naar hem geluisterd. Anders had ik geen dochter gehad. We zijn nog samen over, want mijn oudste zoon is op zijn 56ste overleden aan kanker.’
‘Mensen in de stad hebben heel andere opvattingen en zijn veel makkelijker in alles. In het oosten zijn ze conservatiever. Ik kan mij voorstellen dat veel boeren boos zijn. In de oorlog hebben ze zo veel goeds gedaan, en dan worden ze nu met de nek aangekeken. Wel vind ik dat er te veel koeien zijn, dat is abnormaal. Ik heb nooit aan politiek gedaan, dus verder kan ik hier niks over zeggen.’
‘Je wordt vaak als een kind behandeld. Dat blijkt alleen al uit de betuttelende manier waarop sommigen tegen je praten en dan denken ze dat je dat niet in de gaten hebt. Toen ik na de val 1,5 jaar geleden naar het ziekenhuis moest – de eerste keer in mijn leven –, vroeg een hulpverlener welke medicijnen ik gebruikte. Ik antwoordde helemaal niks te slikken. Ze dacht dat ik in de war was, maar het was echt waar. In de bibliotheek, waar ik kom om streekromans te lenen, vragen ze wat ik kom doen. Alsof een 100-jarige geen boeken meer kan lezen. Ik reageer dan maar niet, want opwinding is niet goed voor een mens.’
geboren: 23 september 1922 in Hoogeveen
woont: in een zorgcentrum in Zwolle
beroep: verkoopster en huishoudelijk werkster
familie: drie kinderen (twee overleden), twee kleinkinderen
weduwe: sinds 1997
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media
Source: Volkskrant