Ik zat nog maar een paar tellen op de picknicktafel aan de rand van het speelpleintje, toen het onmiskenbare geluid van een vallende stuntstep klonk. Kort daarna steeg gejammer op. Een blond jongetje van een jaar of 8 lag op de grond, zijn step naast hem. Van zijn ouders geen spoor. Maar hij was in het gezelschap van twee meisjes, ieder ook met een eigen step, die zich over hem ontfermden.
Ik besloot nog even te wachten met opstaan. Het zag er niet ernstig uit en bij kinderen werkt het doorgaans zo dat hoe meer aandacht je ze geeft, hoe meer pijn ze gaan voelen (dit principe geldt alleen bij vallen). Beter was het om dit jongetje en zijn vriendinnetjes het zelf te laten oplossen. Mocht dat niet lukken, kon ik altijd nog te hulp schieten. Als het mijn kind was geweest en een andere ouder had deze redenering gevolgd, had ik me daar goed in kunnen vinden. Maar het was dus niet mijn kind.
Daar dacht niet iedereen hetzelfde over. ‘Meneer, volgens mij is dat uw kind.’ Een jongetje van een jaar of 10 was naast me komen staan met zijn fiets in zijn hand. Hij wees naar het gevallen jongetje. ‘Nou, nee’, antwoordde ik, ‘maar ik vind het heel lief van je.’ Hij leek me niet helemaal te geloven. Dat jongetje is blond en jij bent de enige blonde volwassene hier, dus dit is jouw kind. ‘Mijn kinderen zijn daar’, beargumenteerde ik en ik knikte in de richting van het speelrek waar mijn dochters aan de gang waren.
Een moeder van een ander kind was inmiddels bij het gevallen jongetje gaan staan en vroeg hem waar zijn ouders waren. Het antwoord ontging me, omdat mijn schuldgevoel tegen me aan het praten was. Had ik toch wel gelijk moeten opstaan, zoals deze vrouw? Was ik nu een slecht mens? Maar wacht eens even. Ging ík me nu schuldig voelen over een situatie die was ontstaan doordat ándere ouders niet met hun zoontje naar de speeltuin waren gegaan? En dan nog iets: was ik zojuist etnisch geprofileerd door een jongetje van 10?
Het jongetje stond op. Hij was gestopt met huilen en liep met een verbeten gezicht een paar rondjes. Daarna speelden hij en zijn vriendinnetjes verder. Even later scheurde hij weer voorbij, op die vreselijke, instabiele, kletterende stuntstep. Hij slingerde een paar keer vervaarlijk en leek zijn balans te verliezen. Als hij nu weer zou vallen, zou ik onmiddellijk toesnellen. Bovendien zou ik hem dan ook gelijk erkennen als mijn eigen kind.
De step stuiterde en wiebelde en het jongetje schommelde en wankelde. Maar hij bleef staan, maakte een snelle bocht en verdween het hoekje om. Weg was hij. Mijn zoon, die nooit mijn zoon zou worden.
Source: Volkskrant