Home

Eva zag een man met een bos narcissen door het dorp sloffen, twee keer op precies dezelfde plek

Er liep een man door het dorp. In een grote, rafelige jas slofte hij wat doelloos voorbij, bos narcissen in zijn rechterhand, alsof hij zelf ook niet helemaal wist wat-ie daarmee aan moest. Hij had niet door dat ik hem bekeek, en dus durfde ik net iets langer te kijken dan normaal, twee, drie seconden waarin ik een grove inschatting maakte – eind vijftig, begin zestig, mogelijk een Oekraïner, iemand onder andermans dak. Waar gingen die narcissen naartoe?

Ik was hem alweer vergeten tot ik hem de dag erna opnieuw zag lopen, gek genoeg op precies dezelfde plek als de dag ervoor, in diezelfde rafelige jas en verdomd als het niet waar is, hij hield nog steeds die bos narcissen vast. Nieuwe inschatting: iemand zónder dak.

In dorpen vallen nieuwe gezichten op, niet omdat de mensen nou zo nieuwsgierig zijn, maar om het simpele feit dat ze diegene niet kennen en de rest wel, van vroeger, van school of van korfbal, daar komt het door. Ze laten je met rust, na een paar jaar beginnen ze je gedag te zeggen en op een gegeven moment hoor je erbij, zo gaat dat hier en zo gaat het overal, zo zou het ook deze man vergaan, áls hij hier tenminste zou blijven, en iets zei me dat dat niet zo was.

Ik wist niets van hem. Niet van zijn jeugd, niet van zijn ouders, niet van het schoolplein waar hij met zijn zusje overheen had gelopen, tas op de rug, de oudere jongens met hun onwaarschijnlijke verhalen. Op de terugweg duwden ze hun neuzen tegen het glas van de dierenwinkel, waar uit een moeilijk te ontwarren kluwen her en der een staart of een snuit stak. Thuis vragen of je er een mag hebben, het antwoord al weten. Thuis – een klein dorp op zo’n 50 kilometer ten zuidoosten van de rivier, een voormalige pastorie, het huis met de boeken, een verzameling kevers, opa en oma die in de achterkamer zaten, de omgekrulde hoekjes van het betengelde behang. Ik wist niets van het fikkie stoken in het landje achter het huis, van het appels jatten uit de boomgaard, van de keer dat zijn vader erachter kwam en hij moest lopen voor zijn leven. Hoe die boomgaard uiteindelijk had plaatsgemaakt voor een winkelcentrum, en het winkelcentrum voor appartementen, de appartementen voor bomkraters. Nog zag hij voor zich hoe artsen onvermoeibaar doorwerkten om bloedingen te stelpen en ledematen te verbinden, ze zeiden dat hij die stemmingswisselingen voor de rest van zijn leven zou behouden.

Ik wist niets van zijn liefdes. Het geklungel, de eenzame feesten en zijn eigen ongeloof toen die ene met het hoog opgestapelde haar ineens naar hém keek, op de blikken van de jongens uit het dorp kon hij een leven lang voort. De desillusie, toen zijn ouders besloten dat een andere partij een betere was. Zijn nieuwe vrouw was een wonder van eenvoud geweest, hij kon haar niet doorgronden of ze hád geen gedachten, er waren dagen dat ze geen woord wisselden. Alleen als hij het liedje zong van de bekende volkskomiek verscheen er een warme lach op haar gezicht, ’s avonds kriebelde hij haar in het donker over de rug. Er kwamen kinderen, een hond, toch nog, en ze zouden er samen maar het beste van maken want de mens is zwak en eenzaam, maar dat was voordat alles misging en hij in dit vreemde land terechtkwam, waar ze de gordijnen dichthouden en hun ouderen opbergen in konijnenhokken.

Gister zag ik hem weer lopen, weer met die rafelige jas maar de narcissen waren verdwenen, heel even overwoog ik hem te vragen aan wie hij ze had gegeven.
Maar ik deed het niet.

Source: Volkskrant

Previous

Next