N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
Daklozen De Poolse stichting Barka helpt ook in Nederland Oost-Europese arbeidskrachten die kwamen om te werken maar hier dakloos raakten. „Ik jat iets, gebruik drugs en dan ga ik naar bed.”
Met grote passen stormt een lange blonde Poolse jongen een doorsnee hoekwoning in een Utrechtse woonwijk binnen. „Verdomme, wat is het hier heet”, vloekt hij in het Pools zodra hij neerploft op een grauwe bank. Achter hem komen nog twee mannen aangesukkeld. Eén met een blauw oog, de ander met tientallen infectiewondjes op zijn lichaam. Daarachter een oudere man, een Griek, die scheel kijkt en in de deuropening blijft staan.
„Ik heb een paspoort nodig”, zegt de blonde jongen, die 24 jaar is en Maciej heet (geen van de gesproken dakloze arbeidsmigranten wil met achternaam in de krant). „Voor werk.” En wat spulletjes, gaat hij verder. „Onderbroekjes. Tandpasta. Een tandenborstel.”
Een paar minuten later staan Maciej en zijn vrienden alweer buiten. Hij heeft een plastic tasje met de gevraagde spulletjes in zijn ene hand en trekt met zijn andere een halve liter blik bier open. „Nee, nee, nee, heren”, roept Mieszko Pospiech in het Pools terwijl hij naar buiten snelt. „Hier niet drinken.”
Het is een dinsdagochtend midden in de zomer van 2022 en de werkdag voor Mieszko Pospiech, een van de coördinatoren bij Stichting Barka, is net begonnen. Hij heeft al twee beschonken Roemeense mannen de deur gewezen en een Poolse vrouw geholpen met een aangifte die ze wilde intrekken. Haar vriend heeft haar geslagen, dat staat op het formulier, maar die beschuldiging moet Pospiech voor haar ongedaan maken. En nu Maciej en zijn vrienden.
Pospiech zucht en neemt een slok oploskoffie. Hij veegt nog maar eens door zijn dikke zwarte haar. „Dit is wat we doen”, zegt hij.
Sinds 2012 helpt de Poolse stichting Barka dakloze arbeidsmigranten in Nederland. Het hoofdkwartier is een rijtjeshuis in de Utrechtse Vogelenbuurt. Drie dagen per week houdt Barka spreekuur en melden zich in de smalle straat doorlopend arbeidsmigranten bij de drie Pools-Nederlandse medewerkers. De deuren van het kantoortje staan open voor wie maar komen wil. Op de andere dagen van de week gaat het werk door: op straat, in de gevangenis, in de daklozenopvang en via de telefoon.
Het probleem is volgens Barka dat het Nederlandse systeem niet goed berekend is op arbeidsmigranten die dakloos worden en in de meeste gevallen verslaafd zijn
De mensen die hulp willen komen uit Polen, Roemenië, Hongarije, Bulgarije of de Baltische Staten. Ze kwamen allemaal ooit naar Nederland om geld te verdienen, met tomaten plukken, vlees snijden of pakketjes sorteren. Maar de droom van goed geld verdienen in het buitenland is aan diggelen. Ze staan op straat in een land waar ze de taal niet spreken en de weg niet kennen. Een land met een arbeidsmarkt die sterk afhankelijk is van Oost-Europese migranten – waardoor ook grote groepen kwetsbare mensen van daar naar hier komen. En als het misgaat, als ze in Nederland op straat komen te staan, is het mede door een gebrekkig vangnet bijna onmogelijk om nog op te krabbelen.
Het probleem is volgens Barka dat het Nederlandse systeem niet goed berekend is op arbeidsmigranten die dakloos worden en in de meeste gevallen verslaafd zijn. De daklozenopvang heeft vaak geen plek voor hen, verslaafden die geen Nederlands of Engels spreken worden nauwelijks geholpen en ze hebben minder vaak recht op sociale bijstand dan Nederlanders. En dan verschilt de aanpak van gemeenten ook: de ene gemeente helpt dakloze arbeidsmigranten wel, de andere wijst ze de deur.
In dat gat springt stichting Barka. Eén van hun taken, waarvoor ze met Nederlands belastinggeld worden gefinancierd, is Oost-Europeanen die op straat zijn beland te begeleiden bij de terugkeer naar hun vaderland. In 2021 kreeg Barka in Nederland zo’n 2 miljoen euro aan subsidies, zo blijkt uit het laatste jaarverslag; geld dat voornamelijk wordt opgehoest door Nederlandse gemeenten.
Naar schatting leven er duizenden arbeidsmigranten op de Nederlandse straten. Dat komt meestal door de manier waarop uitzendbureaus in Nederland werken. Ze werven mensen uit EU-landen in Oost-Europa voor werk dat Nederlanders niet willen doen. Het uitzendbureau regelt een huis en een baan. Word je ontslagen, dan ben je binnen een paar dagen dakloos, want het uitzendbureau is vaak ook de huisbaas. Misstanden worden weinig gemeld, omdat arbeidsmigranten vaak geen Nederlands spreken en niet weten welke rechten ze hebben. Als ze eenmaal op straat belanden, kunnen ze niet gedwongen worden terug te keren naar het land van herkomst; het zijn Europeanen die vrij door het continent mogen reizen. Maar opvang is er in gemeenten vaak weer alleen voor daklozen met een Nederlands paspoort.
NRC volgde Stichting Barka bijna een jaar en liep mee tijdens hun straatwerk in Utrecht, bezocht de spreekuren, daklozenopvangen, een psychiatrische crisisopvang, het ziekenhuis, een gevangenis en ging uiteindelijk ook naar het Poolse gehucht Chudobczyce, waar de Poolse daklozen vanuit Nederland worden opgevangen.
Het is een donderdagmiddag in september. Na de tropische temperaturen van de zomer zijn de onweersbuien die net over de stad zijn getrokken een verfrissende afwisseling. De regen maakt het werk van straatwerker Marek Kania van Barka wel ingewikkelder: het helpt om af en toe door Utrecht te trekken en onder een brug, in tentjes of in bosjes praatjes aan te knopen met de mannen die hij inmiddels allemaal wel kent, maar het regent, dus hij ziet niemand op straat.
Marek loopt naar de daklozenopvang van het Leger des Heils, aan de Nieuwegracht. De sfeer is er rustig. Aan de zijkant liggen mensen te slapen in stoelen, er staat een computer, er is gratis brood, soep en koffie.
Ineens ziet hij Maciej. Hij kan niet werken, vertelt hij. Zijn hand is helemaal opgezwollen. „Voel maar”, zegt hij. „Mijn knokkels zijn net kussentjes.” Het is het resultaat van een vechtpartij in de daklozenopvang.
Maciej heeft nog niet genoeg op z’n flikker gekregen van de straat
Marek straatwerker
Maar Maciej maakt zich geen zorgen. „Als ik een paspoort krijg, dan ben ik binnen een week weer aan het werk en komt alles goed.”
Marek, die zelf dertig jaar op straat leefde in Polen en verslaafd was aan de drank, schudt zijn hoofd als Maciej eenmaal uit het zicht is. „Hij heeft nog niet genoeg op z’n flikker gekregen van de straat”, zegt hij. „Het straatleven trekt hem nog te veel.”
Oud-verslaafden die verslaafden helpen. Het is, platgeslagen, sinds 1989 de filosofie van Barka (‘boot’ in het Pools). In dat jaar nam het Poolse psychologenkoppel Tomasz Sadowski en Barbara Sadowska vijftien daklozen op in hun grote huis in het West-Poolse gehucht Wladyslawowo, waar ze samenleefden met hun patiënten en drie dochters. Ze wilden de mensen op een andere manier helpen dan gebruikelijk was in het Polen van die tijd: ze niet alleen medicatie geven, maar ook persoonlijke aandacht. Waren de patiënten eenmaal van hun verslaving af, dan konden ze andere verslaafden helpen.
Inmiddels zijn er twaalf opvangplekken in Polen, voor zo’n vijfhonderd mensen in totaal.
Maar Barka groeide pas echt toen er in 2006 een vraag kwam uit het Verenigd Koninkrijk, vertelt Maria Sadowska (36), een van de dochters van de oprichters, zij runt nu Barka in Polen. „De stad Londen vroeg of we Poolse daklozen konden komen ophalen. Mijn vader antwoordde dat Barka geen transportbedrijf is dat het vuilnis van anderen ophaalt.” Het alternatief beviel beter: een kantoor in de Britse hoofdstad openen. Daar gingen ‘leiders’, mannen die jarenlang verslaafd waren en bij Barka afkickten, samen met kenners van de lokale taal en bureaucratie – vaak Poolse vrouwen – op pad.
De gesprekken, aandacht en zorg bleken effect te hebben: binnen drie jaar gingen van de zesduizend Poolse daklozen in Londen tweeduizend terug naar Polen. Daar werden ze geholpen met afkicken en kregen ze therapie, om ze langzaam terug te laten keren naar het ‘normale’ leven. Het concept was zo succesvol dat andere landen Barka ook vroegen te komen. Inmiddels heeft de stichting kantoren in IJsland, Ierland, Canada, Duitsland en sinds 2012 in Nederland, waar ze het grootst zijn, met twee kantoren: in Utrecht en Eindhoven. Van alle in het buitenland dakloos geraakte Polen die weer naar hun eigen land terugkeren, komt 80 procent uit Nederland. De Poolse daklozen hebben het hier zwaarder dan hun Nederlandse lotgenoten, zien de medewerkers van Barka, doordat de regels en het vangnet in Nederland gericht zijn op Nederlanders of mensen die Engels spreken.
Het is een van de redenen waarom een terugkeer naar Polen of Roemenië vaak ook in het belang van de arbeidsmigrant is. Daar gaat vaak maanden van begeleiding aan vooraf, die gecoördineerd wordt vanuit het Utrechtse kantoortje. Het gaat om het regelen van beltegoed, hulp bij het zoeken van nieuw werk, cv’s uittikken of bellen met de gemeente voor nachtopvang – wat in de meeste gemeenten eigenlijk alleen maar lukt als het vriest. Op straat sporen medewerkers nieuwe dakloze arbeidsmigranten op, ze bezoeken de daklozenopvang en gaan regelmatig naar de gevangenis.
Een beetje onderuitgezakt zit Piotr (32) aan tafel. Niet uit verveling, maar omdat de ruim twee meter lange man uit het Zuid-Poolse stadje Knurów anders niet met zijn benen onder de tafel past in een krap, kaal kantoortje met een systeemplafond van de gevangenis Klein Bankenbosch in Veenhuizen.
Piotr is opvallend open. Dat komt vooral door Barka-me Source: NRC