Home

Het einde van de rubriek van Hans Ree, een herhaling van zetten

N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.

Het hoogste stapeltje post bij terugkeer werd gevormd door dat met de schaakbrieven. De laatste aflevering van de rubriek van Hans Ree, Een eindspel (28/4), had nogal wat liefhebbers van de 64 velden naar de laptop gedreven, wat resulteerde in welbespraakte uitingen van wanhoop: „Schaken is sport, kunst en geschiedenis, schrijven over schaken is verslaggeving en literatuur ineen. En schrijven kon – kan – Hans Ree. Zijn rubriek in de krant was voor mij een baken, een rustpunt, een oase van wellevendheid ook.”

Ree schreef dat hij na 34 jaar moest stoppen nadat de hoofdredactie had gezegd dat er online zo veel over schaken te vinden was, dat de rubriek geen meerwaarde meer had. Een lezer suggereerde het hoofdredactionele commentaar te schrappen. „Er is immers op internet zoveel gratis commentaar te vinden.”

De waarde van de rubriek van Ree ligt ook in het partij-overstijgende deel van de stukjes, zoals de autorubriek van Bas van Putten niet alleen maar over het leven der vierwieligen gaat. Soms schreef Ree gewoon over de schoonheid en de troost. In de rubriek van 16 maart besprak hij hoe mooi het geometrische patroon in een bepaalde stelling was. „Het is er gewoon en de zwartspeler hoefde het alleen te zien, zoals de beeldhouwer in het onbewerkte stuk marmer al de sculptuur ziet die er in verborgen zit.” Vandaar sloop hij naar de dichter Jan Hanlo, die mijmerde over hoe de wolken in de lucht de vorm zouden kunnen aannemen van een onvergetelijke stelling tussen Euwe en Aljechin (‘de parel van Zandvoort’, 1936).

Uiteindelijk gaat het om de verschuiving van middelen, legde de hoofdredactie uit naar aanleiding van de lezersbrieven. De schaakrubriek trok online weinig lezers en de krant besteedt het geld liever aan (onder meer) „onderzoeksjournalistiek en podcasts”. Dat was een herhaling van zetten ten opzichte van eerdere maatregelen als het schrappen van de televisiegegevens, de stadsbijlagen en het dagelijkse recept. De hoofdredactie handelt naar de wetenschap dat NRC inmiddels hoofdzakelijk een digitaal product is. Doordat de (papieren) editie rubrieken inlevert, vreest een deel van de lezers – met reden – voor het veelzijdige karakter van de huisvriend die de krant voor ze is. Dat het Ree-offer door winst elders in de NRC-journalistiek gecompenseerd zal worden, betwijfelen zij. De hoofdredactie denkt dat ook de digitale NRC een goede huisvriend kan zijn.

Had de schaakrubriek niet gemoderniseerd en interactief gemaakt kunnen worden?

Het schrappen van de schaakrubriek komt op het moment waarop schaken, zeker online, juist aan populariteit heeft gewonnen. Had de rubriek niet gemoderniseerd en interactief gemaakt kunnen worden, zoals de sudoku, die dagelijks drommen digitale NRC-puzzelaars trekt? Daar is enkele jaren geleden naar gekeken, zegt chef sport Rogier van ’t Hek. Mede vanwege de beperkte capaciteit van de – zéér druk bezette – digitale ontwikkelaars bij NRC werd dat plan al snel terzijde geschoven. Zo ontstond een voor de schaakrubriek verloren stelling.

Het tweede stapeltje post ging niet over spel, maar over oorlog. Nu ja, over de cultuuroorlogen en dan specifieker over een essay van Eric Hendriks in de bijlage Opinie & Debat van 6 mei: Conservatieven moeten de cultuuroorlog van diepte voorzien. Hendriks, die de afgelopen jaren een twintigtal opiniestukken schreef vanuit een doorgaans conservatieve invalshoek, trachtte invoelbaar te maken waarom ‘piratenbaai’ Boedapest zo aantrekkelijk is voor rechtse intellectuelen die zich door de West-Europese mainstream in de hoek gezet voelen. De publicatie veroorzaakte veel kritiek. Intern waren er enkele collega’s die zich afvroegen of dit artikel wel in NRC paste, op Twitter streden verbazing en verontwaardiging om voorrang en in de ombudspost was de toon streng: „een draak van een opiniestuk”. Een lezer kondigde aan zijn abonnement op te zeggen: „NRC draagt (onbedoeld) bij aan salonfähig maken van ultra-conservatieve ideeën, ideeën die in de samenleving leiden tot afnemende tolerantie en toenemend geweld tegen minderheden. Daar wil ik als betalende lezer geen medeverantwoordelijkheid voor dragen.”

Nu wist ik ook niet goed wat ik met het artikel aan moest. Niet zozeer vanwege de opvattingen die erin verkondigd werden, maar meer door de constante nadruk die Hendriks met een zweem van ironie legde op hoe alles voelde voor de conservatieven die (net als hijzelf) werken aan het door de Hongaarse regering gefinancierde Danube Institute. „Rebellen, dromers, piraten en pierewaaiers”, waren het, „intellectuele underdogs” voor wie president Orbán ondanks „lompe” maatregelen een „heerlijke dwarsligger” is. Allemaal best, maar welke standpunten Hendriks nu huldigde, bleef vaag. Het artikel leek verstoppertje te spelen met zichzelf.

Het artikel over Hongarije leek verstoppertje te spelen met zichzelf

Dat kan een reden zijn om van plaatsing af te zien. De vooral op Twitter veelgedeelde klacht dat NRC ‘geen podium’ moet bieden aan een medewerker van het Danube Institute is dat echter niet. Over zijn achtergrond en die van het instituut deed Hendriks niet geheimzinnig en de hoofdredactie van NRC wil juist dat er op de opiniepagina’s vanuit verschillende perspectieven wordt geschreven. Dat streeft ook chef Opinie Peter Vermaas na: „De conservatieve beweging bestaat, het is juist voor de opiniepagina’s leerzaam om eens van binnenuit een verhaal te hebben, om de manier van redeneren te begrijpen. Na, overigens, vele eerdere stukken die kritisch op Orbán en de zijnen waren. De opiniepagina’s zijn er voor het debat.”

Dat debat ontstond. Na het weekend volgden de tegenzetten en werd Hendriks inhoudelijk van repliek gediend door enkele briefschrijvers die aangaven waar, naar hun oordeel, zijn weergave van de situatie in Hongarije tekortschoot. Over de stelling die zo op het bord verscheen, kon de lezer zelf prima oordelen.

Arjen Fortuin

Reacties: ombudsman@nrc.nl

Met verbazing las ik hoe in het – verder uitstekende – artikel Borssele denkt dat ook deze kerncentrales er wel zullen komen (5/5, pagina 10-11) de inwoners uit het dorp in dialect worden geciteerd („Ja, ik vin ’t ok nie goed”) en zelfs de import-Rotterdammer zijn Rotterdamse accent behoudt („maar je ken het toch niet tegenhouden”).

Dit is volgens mij niet gebruikelijk. Normaliter worden uitspraken van mensen die aan het woord gelaten worden in artikelen in keurig ABN opgeschreven. Welk doel wil de auteur hiermee bereiken? Het lijkt er een beetje op dat de inwoners van Borssele als provinciaaltjes worden weggezet.

Robert van Santen

De auteur van het artikel, correspondent Noord-Brabant en Zeeland Denise Retera had geen bijbedoelingen toen ze twee vrouwen in dialect citeerde: „Ik probeer de lezer zo veel mogelijk mee te nemen naar de plek waar ik over schrijf. Ik wil ze het gevoel geven dat ze er zélf zijn. Daarom geef ik mijn stukken zo veel mogelijk kleur, bijvoorbeeld door details van de omgeving op te schrijven. Dialectweergave kan daar mijns inziens ook aan bijdragen. Ik zou een dialect of accent trouwens nooit uitvergroten; eerder minder zwaar maken.” Dat laatste heeft ze in dit geval ook gedaan, zegt ze: „Je kunt je trouwens afvragen of het niet juist heel Randstedelijk is om een dialect als iets negatiefs te zien.”

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement.Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.

U kunt ons via dit formulier informeren over taalfouten of feitelijke onjuistheden, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken worden niet gelezen.

Source: NRC

Previous

Next