Voor het eerst sinds de coronacrisis kwam de Europese vereniging voor virologen weer bijeen. Van sluimerende apenpokken tot het begin van de Spaanse griep: de acht opvallendste inzichten op een rij.
‘Welkom bij dit eerste virologisch congres in het Interpandemische Tijdperk’, trapte de eminente Duitse hoogleraar Thomas Mettenleiter af, tijdens het eerste meerdaagse congres van de European Society for Virology sinds de coronacrisis. De ongeveer zeshonderd aanwezige virologen gaven geen krimp. Want dat er na corona vroeg of laat weer een nieuwe pandemie zal komen, daaraan twijfelt tijdens dit eerste meerdaagse congres in de grote zaal van het concertgebouw van Gdansk niemand.
Een pandemie van de griep. Of misschien een nieuw coronavirus. Of een ‘paramyxovirus’, een ‘flavivirus’ of een ‘filovirus’ – de mogelijkheden zijn helaas tamelijk eindeloos. Of, wat ook kan: toch nog een heropleving van sars-cov-2, alias hét coronavirus, het stekeltjesvirus dat de huidige pandemie veroorzaakt.
Stefan Pöhlmann van het Duitse Primaten Centrum in Göttingen toonde onderzoekscijfers die duidelijk maken dat de omikronvariant BA.5 hamsters wat ernstiger ziek maakt dan eerdere omikron-ondersoorten. Een teken dat het coronavirus nog altijd verrassingen in petto heeft, aldus Pöhlmann.
Of, zoals de Berlijnse hoogleraar Klaus Osterrieder opmerkte: ‘Als het gaat om virologie, zou ik iedereen willen waarschuwen voor het gebruik van het woord onmogelijk.’
Over de auteur
Maarten Keulemans is wetenschapsredacteur bij de Volkskrant, met als specialismen microleven, klimaat, archeologie en gentech. Voor zijn coronaverslaggeving werd hij uitgeroepen tot journalist van het jaar.
Weet u nog, hoe de apenpokken vorig jaar mei opeens om zich heen greep in het Westen, onder homomannen vooral? Gelukkig liep het met een sisser af. Toch?
De New Yorkse viroloog Gustavo Palacios is er niet gerust op. ‘We zien nog steeds nieuwe gevallen in Spanje, Frankrijk en Zuid-Korea. En het feit dat dit virus nu alweer meer dan een jaar circuleert, baart me zorgen. Dit kan wel degelijk een nieuwe dreiging zijn.’
Palacios’ groep ontrafelde dat het apenpokkenvirus opvallende veranderingen onderging, in feite door delen van zijn erfelijk materiaal als een soort harmonica uit te bouwen. Daardoor zwollen sommige van zijn genen op en gingen ze anders werken. Met als gevolg een virus dat makkelijker van mens naar mens hopt, naar Palacios vermoedt doordat het meer oppervlakkige huidinfecties veroorzaakt.
Nog een geluk dat de variant – ‘clade 2b’, zeggen kenners – niet erg dodelijk is. ‘Maar laten we hopen dat apenpokkenvirussen uit clade 1 niet ditzelfde vermogen tot transmissie krijgen’, zegt Palacios. Clade 1, tot dusver alleen aanwezig in Afrika, kan namelijk wél ernstig ziek maken.
Het rommelt dus en dat kan betekenen dat apenpokken bezig is de plek in te nemen van dé pokken, de horrorziekte die door de eeuwen heen vele miljoenen levens eiste. Nu die ziekte wereldwijd is uitgeroeid en de pokkenprik in veel landen is gestopt, is er ruimte voor een nieuw pokkenvirus. ‘Er zijn goede aanwijzingen dat de oorspronkelijke pokken aanvankelijk ook een vrij milde ziekte was’, aldus viroloog Ab Osterhaus, in een andere sessie. ‘Ik ben er niet gerust op dat dit voorbij is.’
Dé presentatie waarover het gonsde in de wandelgangen en waarover men nog lang napraatte bij de koffiemachines, was de voordracht van de Italiaanse celbioloog Chiara Zurzolo. Een volstrekt verrassende ontdekking deed haar groep van het Pasteur Instituut in Parijs. Hersencellen bouwen soms tunneltjes naar andere cellen en geven daarlangs ook virussen door. Zo kunnen virussen zoals sars-cov-2 en het zikavirus alsnog cellen infecteren die normaal gesproken helemaal niet gevoelig zijn voor zo’n virus.
‘Waarschijnlijk is het een stressreactie van cellen’, zegt Zurzolo, na afloop van haar praatje. ‘Ze zitten vol virus, willen dat kwijt en maken dan die tunneltjes. Misschien is dit een van de mechanismen waarlangs het coronavirus zich verspreidt naar en in de hersenen.’
Zou dat soms mede de slopende pijn- en vermoeidheidsziekte postcovidsyndroom verklaren? Steeds meer aanwijzingen vinden wetenschappers dat het syndroom niet zozeer ontstaat als bijeffect van de virusontsteking, maar dat het coronavirus hoogspersoonlijk afreist naar het brein om daar de boel te verstoren. Zo presenteerde de Nederlandse promovendus Kinga Böszörményi (BPRC Rijswijk) in een andere sessie bewijs dat het virus bij apen ook in de hersenen terechtkomt.
De Franse viroloog Emma Partiot (Universiteit van Montpellier) zag intussen in gekweekte klompjes menselijk hersenweefsel hoe de coronavirusdeeltjes werden toegezogen naar de synapsen. Dat zijn de contactpunten tussen hersencellen, waar cellen met behulp van chemicaliën met elkaar ‘praten’.
‘We weten niet hoelang de virusdeeltjes daar blijven’, zegt Partiot. ‘Maar we vermoeden dat ook hun tijdelijke aanwezigheid in die synapsen de signalen tussen hersennetwerken kan verstoren.’
Gelukkig hebben virussen ook heel andere kanten. Neem de ‘archaeavirussen’. Dat is een uitgebreide groep virussen, die rondwaren in onder meer darmen, zoutpannen en bubbelende vulkanische poeltjes, waar ze microben genaamd ‘archaea’ besmetten.
Een haast buitenaardse, bizarre klasse virussen, toonde viroloog en microbioloog Mart Krupovic van het Pasteur Instituut. Wat te denken van ‘ampullavirussen’, virussen in de vorm van een fles? Of de virussen STIV1 en SIRV2? Die voelen zich het lekkerst in gloeiend heet azijnzuur en verlaten besmette cellen door er een soort minuscule piramides uit te laten stulpen die vervolgens openklappen als een bloem.
Zelf richt Krupovic zich op een andere wonderlijke klasse archaeavirussen, in de vorm van citroenen, soms met een staart. Een vuistregel in de microbiologie is dat microbes altijd in mooie, afgeronde vormen komen, schetste Krupovic. ‘En dan zie je dit. Een citroen.’
De citroenvorm ontstaat doordat het virus een kokertje is van zeer strak opgewonden eiwit, onthulde Krupovic. Middenin moet het virus echter zijn genetisch materiaal kwijt, met als gevolg een verdikking. ‘Net zoiets als een slang die een olifant heeft opgegeten’, verduidelijkte Krupovic.
Het is dé grieppandemie die wereldgeschiedenis werd: de Spaanse griep, die in 1918-1919 wereldwijd tot wel 100 miljoen levens eiste. Toch is er ook iets geks aan de hand, constateert viroloog Sébastien Calvignac-Spencer (Robert Koch Instituut). In 1918 waren er twéé, iets van elkaar verschillende virussen. ‘Als je die takken terugrekent naar hun gezamenlijke oorsprong, kom je uit op een datum lang vóór de pandemie’, zegt hij.
Dat zou betekenen dat het virus al ergens tussen juni 1915 en september 1917 op de mens is overgesprongen, vermoedelijk uit vogels. Gek, want zo’n nieuw, agressief virus, dat zou moeten opvallen. Calvignac-Spencer denkt daarom aan nog een mogelijkheid: ‘Misschien dat er niet een, maar twéé transmissies waren.’ De twee takken van de virusstamboom zouden dan in 1918 tegelijk zijn opgedoken.
Er zit maar een ding op, zei Calvignac Spencer, die vorig jaar het wereldnieuws haalde nadat hij restjes erfelijk materiaal van het griepvirus had geïsoleerd uit oude, op sterk water bewaarde longmonsters. ‘We zijn hard op zoek naar nog oudere monsters, om dit op te lossen.’
Gemoedelijk academisch gekibbel op het hoofdpodium van het congres. Dit jaar is het 125 jaar geleden dat wetenschappers erachter kwamen dat er naast bacteriën ook veel kleinere ziekmakers bestaan – virussen dus. Maar wie deed eigenlijk die ontdekking? Nederland of Duitsland?
Duitsland natuurlijk, betoogde viroloog Mettenleiter, zelf een Duitser. In 1898 ging bacterioloog Friedrich Löffler ertoe over om het lymfevocht van met mond-en-klauwzeer besmet vee te filteren door een filter dat bacteriën tegenhoudt. Het resterende vocht bleek nog steeds besmettelijk. Dat moest komen door een nog onbekende, veel kleinere ziekmaker, redeneerde Löffler. Oftewel ‘filtreerbare virussen’, zoals ze kwamen te heten. Misschien zijn die wel de oorzaak van pokken, mazelen, tyfus, roodvonk en allerlei andere ziekten, schreef Löffler, in een geïnspireerd moment.
Maar in Nederland had de Delftse microbioloog Martin Beijerinck kort daarvoor zo’n zelfde experiment ook al gedaan, met sap van planten met tabaksmozaïekziekte. Na filtering op bacteriën hield Beijerinck een ‘infectieuze vloeistof’ over, schreef hij, die ‘tot leven komt’ in de cel.
‘Het gaat niet alleen om de observatie, maar ook om de analyse’, vindt Mettenleiter, die als verstrengeld belang maar direct meegaf dat hij directeur is van een onderzoeksinstituut vernoemd naar Friedrich Löffler. Beijerinck zou domweg niet goed hebben begrepen wat hij precies had ontdekt.
Löffler zelf reageerde overigens met een Gemeinheit. In een tekstboek noteerde hij dat Beijerinck z Source: Volkskrant