Home

Als je ‘De A.F.C-ers’ leest, begrijp je opeens wat mannen (en sommige vrouwen ook, jahaa) in voetbal zien

Ik las een leuk stukje van Paulien Cornelisse. Het ging over sportverslaggevers die, naar analogie van het ‘jongensboekcliché’ over een winnende vrouw op een racefiets hadden gezegd: ‘Het lijkt wel een meisjesboek!’ Cornelisse wierp vervolgens op dat heroïsche overwinningen niet voorkomen in meisjesboeken, zoals Joop ter Heul.

Daar heeft ze denk ik gelijk in. Inderdaad behaalt Joop, tussen het met lange, bungelende benen taartjes eten door, maar één min of meer heroïsche overwinning: door hard werken blijft ze een keer níét zitten op de hbs. Haar vader (‘de Piepert’) maakt een blikje zalm open om het te vieren. En later trouwt ze met de rijke, knappe felbegeerde fallocraat Leo, indertijd de gedroomde triomf van elke bakvis.

‘Niemand leest Joop ter Heul meer, en hetzelfde geldt voor De A.F.C.-ers’, vervolgde Cornelisse. Wacht eens even. Daar geloof ik niets van. Joop ter Heul lees ik elke paar jaar opnieuw, en De A.F.C-ers ligt as we speak naast mijn bed.

De A.F.C.-ers (1915) van J.B. Schuil is het jongensboek in optima forma. Het gaat over voetbal. Voetbal interesseert mij niets, maar een goed verhaal is een goed verhaal: als je Het lied van ooievaar en dromedaris leest, ga je vanzelf in spoken geloven en als je De A.F.C-ers leest, begrijp je opeens wat mannen (en sommige vrouwen ook, jahaa) in voetbal zien.

Eddy Loomans krijgt, net als Joop ter Heul, slechte cijfers op de hbs (van leraren met bijnamen als ‘De fluit’, ‘De kameel’ en ‘De pompelmoes’). Waar Joops vader zijn dochter het lidmaatschap van de Jopopinoloukicoclub tijdelijk ontzegt om haar aan de studie te krijgen, geeft Eddy’s vader het voetballen de schuld. ‘Heb ik het je niet gezegd? Dat komt er nou van! Dat denkt maar nergens meer aan dan aan trappen en nog eens trappen tegen zo’n onnozel stukje leer!’

Arme Eddy. En hij deed het juist zo goed als linksbinnen! ‘Wie is dat ventje?’, ‘Hoe heet die jongen?’, vroegen de mensen elkaar. ‘Loomans! Eddy Loomans!’, ging het langs de rijen. ‘Let er eens op, wat ik je zeg’, zei een ouwe heer achter Kitty tegen zijn buurman, ‘die jongen wordt later nog eens een beroemd voetballer! Tsjongejonge, wat speelt die kriel aardig!’ ‘Zeg Kitty, hoor je dat?’, fluisterde Greet. ‘Kitty knikte lachend; zij zat met stralende ogen naar Eddy te kijken.’

O ja, dat is waar ook. Tussen de school- en voetbalbedrijven door is die goeie Eddy ook nog verliefd geworden op zijn nieuwe buurmeisje Kitty. Zij is dan ook ‘een echt voetbalmeisje’ dat ‘nooit uit zou gaan zonder het A.F.C.-speldje op haar manteltje’ en ‘in haar fijne handjes klapt’ als ze ‘met spanning het leren monster volgt’.

Eddy blijft tegen het verbod van zijn vader in voetballen. Hij raakt gewond in een wedstrijd tegen ‘de Trappers’ die ‘gemeen woest’ spelen: ‘Die kerels behoren niet in onze bond. Die spelen geen voetbal, die spelen rugby!’, maar Eddy’s talent groeit en groeit, jazeker, hij wordt ten slotte ‘een der steunpilaren van het eerste’ en zal later in ‘het oranje jersey’ ‘de kleuren van Nederland helpen verdedigen’. Prachtig. Een echt jongensboek.

Hoewel, jongensboek? ‘Eddy keek op: op een bank stond Kitty, wuivend met haar zakdoekje. Toen dacht de goalgetter niet meer aan het publiek op de tribune, aan de mensen achter de lijntjes, hij zag alleen maar Kitty en hij zwaaide uitgelaten van vreugde met beide armen in de lucht. Dit ogenblik was de grootste triomf in Eddy Loomans’ voetballeven.’

De grootste triomf is de liefde! Goh, als je al dat voetbalgedoe even wegdenkt, is De A.F.C.-ers nét een meisjesboek.

Source: Volkskrant

Previous

Next