Het nieuwste boek van Roxane van Iperen, Dat beloof ik, is een beklemmend en pijnlijk verhaal over een jeugd vol huiselijk geweld, misbruik en ontworteling. Het is geen autobiografie, maar wel grotendeels gebaseerd op haar eigen ervaringen. ‘Een traumatisch verleden haalt je altijd in.’
Op de dag dat haar nieuwe boek Dat beloof ik naar de drukker ging, werd Roxane van Iperen (46) overvallen door een vreemde, beangstigende sensatie. ‘Alsof ik plotseling achterwaarts uit een vliegtuig werd gezogen.’ Even was er lichte paniek. Waarom kon ze niet rechtop blijven staan? En was dat wel écht zo, of zat het misschien in haar hoofd? Een bezoek aan de dokter bracht geruststelling: ze had een ontsteking aan haar evenwichtsorgaan. Komt vaker voor, gaat vanzelf over. ‘Gewoon veel slapen. De eerste dag twintig uur aan één stuk. Dat heb ik mijn hele leven nog nooit gedaan.’
Allemaal heel logisch te verklaren, zegt ze drie dagen later, in een kamertje op de bovenverdieping van haar uitgeverij – naar eigen zeggen nog steeds wat wankel, al is dat haar niet aan te zien. In de eindfase van elk boek gaat ze ‘tot het naadje’. Alles nóg een keer helemaal doornemen, nachtelijke telefoontjes naar haar uitgever en redacteur over dat ene zinnetje op pagina tweehonderdzoveel dat net iets beter kan. ‘Hij is ook helemaal uitgewoond’, zegt ze lachend. ‘La ma waaie, dat zit er bij mij gewoon niet in.’
Maar toch kan het geen toeval zijn dat de fysieke terugslag juist zo hevig is bij dít boek, dat ze omschrijft als haar ‘oerboek’, als ‘de steen’ onder alles wat ze eerder schreef. Dat beloof ik is het beklemmende, uiterst pijnlijke verhaal van het meisje M., verteld vanuit haar kinderogen, over een jeugd vol huiselijk geweld, misbruik en ontworteling, over de bemoeienis van instanties, het wegkijken van omstanders en de zeer complexe emoties waarmee een kind in een dergelijke situatie wordt opgezadeld. Het staat vol met zinnen die de lezer – althans: deze lezer – woordelijk bijblijven en passages waarvan je eigenlijk wenst dat je ze niet had gelezen.
‘Ze had het etui klaargelegd op het uitklapbureautje van de nieuwe boekenkast, die in brokstukken voor haar op de grond lag. Een paar uur eerder had hij M. door de achterwand van de kast heen geslagen. Toen ze weer bijgekomen was had ze een strakblauwe hemel gezien; het was de prullenbak die over haar hoofd was geschoven. Die lag nu in een hoek van de kamer, ingedeukt.’
Dat beloof ik is geen autobiografie, maar het is erg moeilijk om tijdens het lezen niet voortdurend de beeltenis van een 11-, 12-jarige Roxane van Iperen voor je geestesoog te zien. M. heeft een grote bos kroezende krullen, het is nogal een thema in het boek, al was het maar omdat ze daarmee door haar klasgenootjes op alweer een nieuwe school dagelijks in een toiletpot wordt geduwd. Ze groeit op in een typisch Brabants milieu en verhuist continu, net als de schrijver deed in haar jeugd. Hoewel zij in interviews altijd zeer spaarzaam is geweest met details over haar privéleven, kan iedereen die haar de afgelopen jaren heeft gevolgd weten dat het verhaal voor een belangrijk deel is gebaseerd op haar eigen ervaringen.
Dat weet ze, maar tegelijkertijd lijkt ze er niet echt op voorbereid. ‘Dit is de eerste keer dat ik gewoon niet zo rationeel te werk ben gegaan. Tot nu toe heb ik voor elk boek uitputtend research gedaan en me verplaatst in andere werelden. Dit keer wilde ik gewoon gaan schrijven en maar zien waar dat me bracht. Een goed verhaal vertellen vanuit een wereld die ik ken, maar niet puur autobiografisch, want dat zou saai worden, met allerlei uitweidingen die het tempo in de weg zouden zitten. Zolang ik aan mijn bureau zat ging dat prima, ik kan enorm veel plezier hebben in het heel precies uitserveren van narigheid. Maar ik ben ook niet gek: ik weet dat mensen zich gaan afvragen in hoeverre wat M. meemaakt ook mijn realiteit is geweest, dat jij er ook opuit bent gestuurd om mij daar snippers van te ontfutselen. Daar wil ik niet moeilijk over doen, maar eigenlijk ook weer wel. Haha, arme jongen.’
Sinds een aantal jaar is Van Iperen een krachtige, uitgesproken stem in het publieke debat. Haar status groeide met het enorme succes van ’t Hooge Nest – de Naardense villa waarvan ze, toen ze er zelf met haar gezin ging wonen, een verborgen geschiedenis ontdekte van twee Joodse vrouwen die er tal van onderduikers huisvestten. Het boek werd in vele talen vertaald, een filmversie is in de maak. Van Iperen schrijft columns, essays en geeft lezingen, waarin ze altijd helder en fel stelling neemt. In de coronatijd muntte ze in het essay Eigen welzijn eerst de term ‘wellness-rechts’, en bond ze de strijd aan met de mensen die uit behoefte aan ‘vrijheid’ uitkwamen bij partijen als Forum voor Democratie. In dat soort zaken is ze onbevreesd. Twitterfitties en haatberichten, zegt ze, glijden van haar af als water van een vette eend. ‘Mijn vriendinnen zeggen weleens bezorgd: goh, je kreeg het weer flink voor de kiezen hè. Maar echt, het doet me niet veel. En bovendien: wat is het alternatief? Je mond houden, en dat doe ik niet.’
Maar vandaag praat ze anders. Zoekend, alsof ze zich afvraagt: hoe ben ik in godsnaam in deze situatie beland? ‘Dat ik nooit over mijn privéleven heb willen praten, is ook omdat ik human interest vaak gewoon saai en voorspelbaar vind. Daar gaan we weer: mensen zijn gemankeerd, dan gaan ze heel hard werken omdat ze liever bewonderd willen worden dan geliefd willen zijn, want ze denken dat dat een gat vult. Je kunt het één keer doen, je hele hebben en houden eruit gooien, als een tube verf die je leegknijpt. Hup, daar ligt de klodder, jij blijft leeg achter, en vervolgens ben je alleen nog maar bekend om wie je privé bent, niet om het ambacht, om wat je kan.’
Ze heeft ook een grondige hekel aan wat ze ‘geregisseerde kwetsbaarheid’ noemt. ‘Je ziet het nu veel op Instagram, bij influencers met een enorm bereik – ook binnen wellness-rechts overigens. Dat is een wereld waarin zogenaamde onzekerheid en openhartigheid een verdienmodel is. Maar veelal zijn het zeer geslaagde, welvarende mensen die soms door het leven een beetje uit het lood zijn geslagen. Je krijgt niet de baan die je wil, het leven na de bevalling valt je zwaar, dus stel je jezelf bloot op sociale media, zogenaamd om met elkaar te ‘helen’, maar feitelijk om meer volgers en meer tractie te genereren. Mensen vreten het, belonen het, maar het heeft niets te maken met echte kwetsbaarheid, met risico’s nemen, met intimiteit. Natuurlijk: een boek als het mijne is óók geregisseerd, maar dat is overduidelijk, net als bij een film. Ik heb daar jaren aan gewerkt en ik wil het nu aan de lezer geven, die als het goed is door het verhaal vergeet dat ik het heb geschreven.’
Tegelijkertijd, zegt ze, is het voor haar wel belangrijk om te laten weten dat ze dit boek niet volledig uit haar duim heeft gezogen. ‘Dat zou wel mógen, hè, begrijp me niet verkeerd. Literatuur moet een vrijplaats zijn. Als jij je verplaatst in een worm die zich vergrijpt aan andere wormpjes, en je doet dat goed: prima. Er zijn alleen geen wormen om te getuigen of het beeld dat je schetst ook een beetje klopt. Er zijn wel vrouwen die misschien iets te zeggen hebben over eeuwen van hoogstaande literatuur, voornamelijk geschreven door mannen, waarin zij meestal volstrekt platte karakters bleven, simplistische wezens die altijd moeder, maagd óf hoer zijn. Het is niet voor niets dat vrouwen er zo bekaaid vanaf zijn gekomen in de belangrijkste boeken uit de wereldliteratuur. Daarom vind ik de discussie over ‘agency’ (het vermogen om onafhankelijk te handelen en eigen vrije keuzes te maken, red.) zoals dat tegenwoordig heet, heel interessant. Het is geen noodzaak, zo zwart-wit is het niet, maar toch: soms kan een gelaagder beeld ontstaan door mensen aan het woord te laten die iets doorleefd hebben. En zo is het met dit boek. Er zit veel van mij in. Het is verbeelding, maar wel doorleefde verbeelding.’
Ze gooit haar handen in de lucht. ‘Hoe ik daar dan over moet praten: ik weet het gewoon niet. Jij bent de eerste die het boek heeft gelezen en de eerste die ik erover spreek. Je bent de boksbal van dit sociale experiment. Voor mij is dit alsof we met z’n tweeën van een rots af springen. Ik wil mijn gezin beschermen. Mijn kinderen hebben het boek gelezen, maar ik wil niet dat zij een wereld ingaan waar andere mensen dingen weten over hun moeder die zij misschien niet weten, want dat is niet gezond. Ik wil zelfs de mensen beschermen die zich in dit boek zullen herkennen. Dat is nota bene een van de thema’s: de loyaliteit van kinderen, ongeacht wat ze om zich heen zien gebeuren, omdat ze voor altijd met onzichtbare draden verbonden blijven aan het nest waar ze uit komen.’
Lachend: ‘Mijn gevoel hobbelt vaak achter mijn verstand aan. Het was pas tijdens het schrijven van dit boek dat ik me begon te realiseren dat alle thema’s waar het in mijn vorige boeken om draait eigenlijk ook gaan over wie ík ben. Daderschap, slachtofferschap, de zwijgende omstander, het medeplichtig zijn aan je eigen onderdrukking – het zit in ’t Hooge Nest, in De Genocidefax, in de 4 mei-lezing die ik heb gehouden. Jáááren op gestudeerd om maar te snappen hoe al die conflicten in elkaar zitten, en toch waren het and Source: Volkskrant