Home

De woedende winkelier (2)

N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.

Bestaat er zoiets als een collectieve verantwoordelijkheid van een staat of volk? Het thema dook de afgelopen weken vaak op. Bij NRC-columnist Hubert Smeets, die de meerderheid van het Russische volk wegkijken van de oorlog in Oekraïne verweet. Bij Dieuwertje Blok, die in haar Herdenkingsrede op de Dam verwees naar het bord ‘Voor Joden verboden’ bij een vol strand in Zandvoort.

En bij Marcel Möring, die in zijn 4 mei-voordracht constateerde dat de burgers van Nederland zwijgend toekeken toen hun Joodse buren werden weggevoerd. Volgens hem verzette zich alleen een woedende winkelier in Coevorden. Dat voorbeeld was verkeerd gekozen – die winkelier bleek juist een Joods slachtoffer – maar het was duidelijk wat Möring bedoelde. Hij noemde het een verplichting om je als individu, volksvertegenwoordiging of overheid te verzetten tegen gevaarlijke denkbeelden.

Aan de verwijten van Smeets, Blok en Möring moest ik vaak denken toen ik onlangs in fotomuseum Foam een tentoonstelling bezocht van de Zuid-Afrikaanse fotograaf Ernest Cole (1940 – 1990).

Wie wil weten hoe het Zuid-Afrikaanse leven was voor de niet-witte mensen, mag deze tentoonstelling niet overslaan. Cole was een moedige man die vaak in het geheim zijn opnamen maakte op plekken waar de zwarte bevolking het meest moest lijden onder de apartheid: op straat, in het overvolle openbare vervoer, in vervuilde ziekenhuizen en in gevaarlijke mijnen. Cole valt te prijzen om de fraaie esthetiek van zijn foto’s, maar daar ging het hem niet om: hij wilde in de eerste plaats laten zien in welke hel zijn lotgenoten moesten leven.

Wat mij van die foto’s vooral zal bijblijven, zijn de schaarse beelden waarop witte mensen een zichtbare rol spelen. Je ziet van bovenaf een perron van een station waar een grote massa zwarte mensen op één trein staat te wachten. Op zo’n honderd meter afstand staat een kleine groep witte mensen onthecht toe te kijken: voor hen zal er ongetwijfeld plaats genoeg zijn in diezelfde trein.

Ook is er een foto waarop een bejaarde witte vrouw breeduit een hele bank in een park bezet; op de rugleuning zijn nog net deze witgeschilderde woorden zichtbaar: ‘Europeans only’.

Al dergelijke foto’s gaan in zekere zin over wegkijken, in de betekenis die het woordenboek eraan geeft: „Uit angst afzijdig blijven waar men eigenlijk had moeten ingrijpen”. Die bejaarde vrouw in Zuid-Afrika doet hetzelfde als de Nederlanders die naar hun Zandvoortse strand afdaalden langs een bord dat de Joden de toegang verbood. En die witte wachtende mensen op het Zuid-Afrikaanse perron hadden zich ook bij de zwarte massa kunnen voegen.

Toch is er iets dat nog bedenkelijker is dan wegkijken: goedpraten. Wegkijken is passief, goedpraten is kiezen voor de aanval, voor een valse voorstelling van zaken. Daarvan geeft de tentoonstelling over Cole óók een schrijnend voorbeeld. Het gaat om een citaat van Willem Duys, de befaamde tv-presentator, dat ik vond in een nummer van het blad Katholieke Illustratie uit de jaren zestig.

„Ik kom nog even terug op Zuid-Afrika. Die apartheid is geen punt voor mij. Ik heb er vier broers wonen, ik ben er nu drie keer geweest. Lekker in de zon gelegen. Geen vuiltje aan de lucht daar. Die mensen zijn allemaal gelukkig, ook de negers.”

U kunt ons via dit formulier informeren over taalfouten of feitelijke onjuistheden, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken worden niet gelezen.

Source: NRC

Previous

Next