Er zijn veel momenten waarop je als toeschouwer denkt, misschien wel hóópt, dat Verloren onschuld fictie is. Een overdrijving van de werkelijkheid dan op z’n minst. Als actrice Yuli Minguel het verhaal vertelt van ‘Giovanni’, bijvoorbeeld, het kind van een toeslagenouder dat zijn hele lagereschooltijd in boterhamzakjes moest poepen – het water thuis was afgesloten. Of dat van toeslagenmoeder ‘Elisabeth’, die ’s nachts vaak naar de vijver in het park liep met de gedachte: ‘Als ik er niet meer ben, worden mijn kinderen in ieder geval geholpen.’
Maar wie tijdens de try-out de verbeten gezichten van het handjevol toeschouwers ziet in het felle theaterlicht, is snel geneigd anders te denken. Hun samengeperste lippen, de vuisten waar ze op bijten, de zakdoekjes die worden uitgedeeld nog voor ernaar is gevraagd, laten zien: dit is niet zomaar theater, en dit is ook niet zomaar een publiek.
Dit is een publiek dat oog in oog staat met zijn eigen verhaal. De gedupeerden van de toeslagenaffaire zien voor het eerst in welk drama zij jarenlang ongewild de hoofdrol hebben gespeeld. Hun getuigenissen, en die van nog twintig andere Rotterdamse slachtoffers, vormden de basis voor de monologen in Verloren onschuld, een voorstelling die 12 mei in première gaat in het Rotterdams Wijktheater.
Over de auteur
Marieke de Ruiter is economieverslaggever voor de Volkskrant. Ze schrijft onder meer over de arbeidsmarkt en sociale zekerheid.
Het is niet voor het eerst dat er theater wordt gemaakt over de ontspoorde fraudejacht die 24 duizend volwassenen en 50 duizend kinderen de financiële afgrond in hielp. In Amsterdam was afgelopen najaar de theatermonoloog Vecht te zien, over de verwoestende gevolgen van het toeslagenschandaal op een gezin. Zondag ging in Almere de theaterfilm Gewoon mens in première.
Bijzonder aan de voorstelling in Rotterdam is het grote aantal gedupeerden dat eraan heeft meegewerkt. Acht van hen, stuk voor stuk vrouwen met ‘zeven kruisjes in plaats van zeven vinkjes’, krijgen de kans om tijdens de try-out een eerste oordeel te vellen. Daar hebben ze weinig woorden voor nodig. ‘Oh my God!’, roept de een nadat het applaus is verstomd. ‘Treffend’, vindt een ander. ‘Het is alsof ik net in een spiegel heb gekeken’, zegt Linette Etnel-Zaalblok (58). ‘Een waarin ik eindelijk zag dat ik niet alleen was.’
Verloren onschuld is een wat ambitieus project geweest, geeft regisseur Hans Lein toe. Een project dat begon met een duizelingwekkend cijfer: Rotterdam telt de meeste gemelde slachtoffers van de toeslagenaffaire: 9.400. Bijna 15 procent van hen woont in IJsselmonde, de wijk waarin het Rotterdams Wijktheater gelegen is. Lein wilde hen helpen op een manier waarop het Rotterdams Wijktheater dat al veertig jaar doet: door verhalen van mensen een podium te geven.
Wie in IJsselmonde zoiets van de grond wil krijgen, komt al snel uit bij Ninny Duarte Lopes. Naast gedupeerde van de toeslagenaffaire is zij vooral de creatieve spil in de wijk. Lein: ‘We vroegen haar: wat heb je van ons nodig? Dat bleek een plek om met lotgenoten te helen.’ Het theater opende elke maandagavond de deuren voor Lopes en haar lotgenoten. Zij het met een verzoek: om tijdens hun bijeenkomsten een opnamebandje te laten meelopen.
‘Ja, die emotie is goed, maar blijf er niet in hangen.’ Het is twee weken voor de première van Verloren onschuld. In een lege zaal van het Wijktheater lopen regisseur Lein en acteurs Yuli Minguel en Kaltoum Boufangacha alle scènes nog een keer door. Lein probeert bijna als een dirigent met kleine handbewegingen de emoties bij de spelers te doseren. ‘Een beetje emotionaliteit mag er wel weer in terug’, zegt hij na afloop. ‘Maar niet te veel.’
Het tekent het wankele evenwicht bij het maken van een dramavoorstelling over zo’n groot drama. ‘Ik ben nog steeds aan het zoeken naar de juiste toon’, vertelt Lein. ‘Het script is zo expliciet dat alle emotie in het spel van de acteurs het al snel pathetisch maakt. Dus de vraag is: hoe maak je er dan wel een theatervoorstelling van?’
Dat expliciete script is het werk van toneelschrijver en socioloog Fenneke Wekker. Zij was het die op basis van bijeenkomsten met gedupeerden en 360 pagina’s aan transcripties van de lotgenotenbijeenkomsten de opdracht kreeg: maak hier een voorstelling van veertig minuten van. Herculeswerk, concludeerde Wekker na het horen en lezen van al die verhalen. ‘Ik dacht: hier kan ik geen theater van maken. Als ik dit dramatiseer, wordt het ongeloofwaardig. Ik denk dat mensen dit al niet geloven.’
Om maar ergens te beginnen, begon Wekker met het thematiseren van de verhalen. Ze voegde alle anekdotes samen die gingen over ‘de eerste brief van de Belastingdienst’, ‘de overlevingsstrategieën’, ‘relaties ouders en kinderen’ en ‘etnisch profileren’. ‘En ineens zag ik: dit zijn helemaal geen unieke verhalen. Hier is een heel duidelijk patroon zichtbaar. Die overeenkomsten, en die hoeveelheid, maakten indruk.’
Dat patroon inspireerde Wekker voor haar vertelling. Was er eerst nog het idee om het verhaal van één gezin centraal te stellen, nu wilde ze de verhalen juist ontdoen van het heel persoonlijke. ‘Zodat het publiek niet de kans krijgt te denken: dit is een uniek geval’, zegt ze. ‘Want ik betrapte mezelf er ook op dat ik bij verhalen in de media dacht: je krijgt niet zomaar 60 duizend euro schuld, je hebt vast wel íéts gedaan. Door de hoeveelheid werd heel duidelijk: dit kan echt iedereen overkomen.’
In plaats van één verhaal te vormen uit alle anekdotes, vormen alle anekdotes het verhaal. Ze zijn verwerkt tot razendsnel op elkaar volgende monologen. Het zijn de woorden en zinnen van de slachtoffers zelf, Wekker heeft er niets bij verzonnen. De verhaallijn wordt gevormd door de fasen die vrijwel alle slachtoffers hebben doorlopen: van het ongeloof over de blauwe brief naar de strijd. Van de strijd naar de machteloosheid: de moeder die langs het spoor loopt en denkt ‘zal ik het doen?’ De vrouw die op de vluchtstrook van de snelweg haar auto moet overhandigen aan de Fiod, met de kinderspullen en knuffels er nog in.
Aan spelers Minguel en Boufangacha de taak om al die monologen zo te spelen dat het publiek betrokken blijft. Niet eenvoudig, zegt Boufangacha na afloop van de repetitie. ‘Toen ik het script las, dacht ik: dit is wel heel veel. Het is raar om te zeggen over iets dat waargebeurd is, maar ik vond het aanvankelijk te dramatisch.’
Minguel was daarin compromislozer. Voor haar hoeft het publiek niet behaagd te worden. Dat heeft ook een reden: ze is zélf gedupeerde van de toeslagenaffaire. Haar verhaal is eveneens verwerkt in de voorstelling. Iets waarover ze niet veel meer kwijt wil dan dit: ‘Toen de hulpverleners in mijn huis stonden, heb ik altijd gedacht: ik sla nog wel terug met een creatieve bom.’
Die bom was Verloren onschuld niet vanaf het begin. In haar eerste versie van het script was Wekker milder. ‘Ik probeerde het publiek te sparen door het bijvoorbeeld niet te hebben over institutioneel racisme’, zegt ze. ‘Maar ik bedacht: deze mensen zijn op geen enkel vlak gespaard, dus waarom zou ik dat het publiek wel gunnen? Dat hoeft maar een uur binnen te zitten en iets te voelen van wat de slachtoffers tien jaar lang hebben meegemaakt.’
De tekstschrijver geeft direct toe: niet alle 17 miljoen Nederlanders zullen om die ervaring zitten te springen. ‘We moeten op de juiste plekken beginnen: bij de mensen die aan de knoppen zitten.’
Een van die mensen is Coen van de Louw, directeur-generaal bij het ministerie van Financiën. Het is dan ook geen toeval dat hij op een maandagavond in april met twee ambtenaren bij de gedupeerden in een zaal van het Rotterdams Wijktheater zit. Hij is hier in het kader van het hersteltraject, om te luisteren naar de gedupeerden én naar het stuk. ‘Ik durf het bijna niet te zeggen’, zo breekt hij het ijs. ‘Maar ik ben belastinginspecteur geweest.’
Het is niet voor het eerst dat Van de Louw voor zijn werk in het theater te vinden is. Onlangs was hij nog voor een vergelijkbare première in Amsterdam. Ook documentairemakers en scenarioschrijvers hebben zich bij hem gemeld. ‘De toeslagenaffaire is blijkbaar een dankbaar onderwerp voor kunstenaars’, concludeert hij. Hij juicht dat overigens alleen maar toe. ‘Voor sommige slachtoffers is het belangrijk dat zij erkenning krijgen voor wat er is gebeurd, omdat hun omgeving vaak dacht: als je problemen hebt met de Belastingdienst, zul je het er zelf wel naar hebben gemaakt.’
Theater kan een manier zijn om slachtoffers die erkenning te geven, denkt regisseur Lein. ‘Door hun verhalen te laten horen krijgen ze bestaansrecht en worden ze onderdeel van de geschiedenis.’ Niet voor niets liet hij zich voor de opstelling in Verloren onschuld inspireren door de Verzoeningscommissie in Zuid-Afrika, waar slachtoffers van de apartheid aan tafel hun verhaal deelden met de daders. Op diezelfde manier zitten de spelers van Verloren onschuld aan tafel, met het publiek om hen heen.
Zo wordt de kijker volgens Lein ook gedwongen zich onderdeel te voelen van de oplossing. Want voor veel Nederlanders mag de toeslage Source: Volkskrant