Home

‘De dood brengt ons dichter bij de liefde’

Hoogleraar zorgethiek Carlo Leget (58) houdt zich al zijn hele werkzame leven bezig met de sterfelijkheid van de mens. Daarbij kijkt hij bij voorkeur naar de mooie kanten van de dood. ‘Juist in de confrontatie met het stervensproces heb je het gevoel dat je echt leeft.’

In zijn jeugd komt hij tot het inzicht dat de wereld ‘niet klopt’, soms zelfs ‘niet deugt’. De bibliotheek noemt hij in die jaren, slechts half schertsend, ‘mijn enige troost’. Aan het leven voelt hij zich niet buitengewoon gehecht: ‘Ik was ook wel benieuwd naar de andere kant ervan, de dood voorbij.’

Carlo Leget maakt deel uit van een liefdevol gezin, met drie kinderen waarvan hij de oudste is. Zijn vader is medisch fotograaf, zijn moeder actief in de katholieke kerk – beiden komen uit Den Haag, maar zijn in de jaren zestig naar het Brabantse Vught verhuisd. Hun oudste zoon moet zich er als ‘slimste jongetje van de klas en ook nog eens zonder zachte g’ zien te handhaven. De bibliotheek wordt zijn geliefde toevluchtsoord. ‘Een ruimte met bewaarde wijsheid’, zo ziet hij het, de ideale plek voor iemand die erop uit is ‘de wereld met zijn hoofd te willen begrijpen’.

Nog twee andere, tegengestelde krachten trekken aan hem: de katholieke kerk, die ‘het mysterie van het leven onderkent’ en ‘troost biedt voor onze eindigheid’, én de Britse rockgroep The Who, die staat voor ‘het vitale, mannelijke, maar ook het destructieve’. Zelf mag hij dan dagelijks op de piano klassieke muziek spelen, als puber kijkt Leget gefascineerd naar het ‘rauwe en levenslustige’ van zijn rockhelden. Inclusief hun vernieling van gitaren, ‘wat natuurlijk niet hoorde, maar toch ook: hoe bevrijdend!’

Zijn brave kant overwint aanvankelijk, want dwars tegen de tijdgeest in kiest hij voor een studie theologie: ‘Ik kreeg meewarige reacties van mensen van de generatie van mijn ouders, die zich net aan de kerk hadden ontworsteld. Ik vond hun jarenzeventigvrijheid maar teleurstellend. Hun ‘zoek het maar uit’-houding gaf me geen enkel denkkader waar ik mijn geest aan kon scherpen.’

Dat kader treft hij wel aan bij de 13de-eeuwse theoloog Thomas van Aquino (‘de kampioen van het denken’), aan wie hij gedurende zijn promotieonderzoek zeven jaar van zijn leven wijdt. Zijn onderliggende fascinatie: hoe kan het dat christenen verdrietig over de dood zijn, terwijl zij juist dan hun God ontmoeten?

Sindsdien is de sterfelijkheid van de mens zijn onderwerp. In zijn academische carrière maakt hij de overstap naar medische ethiek, waarbij vooral de palliatieve zorg zijn belangstelling heeft. Met de katholieke kerk breekt hij rond de eeuwwisseling. Tegenwoordig is de 58-jarige Leget hoogleraar zorgethiek aan de Universiteit voor Humanistiek. De grootste confrontatie met zijn sterfelijkheid doet zich rond zijn vijftigste levensjaar voor. Dan kiest hij ervoor te scheiden van zijn vrouw, de moeder van hun drie inmiddels volwassen kinderen.

‘Op school was mijn verbinding met leeftijdgenootjes gebrekkig, maar dat is niet het hele verhaal. Ik was erg gevoelig en kon me bijvoorbeeld zorgen maken over een ander jongetje dat op hetzelfde meisje verliefd werd als ik. Hoe pijnlijk en verdrietig zou het voor hem zijn, als ik iets met dat meisje kreeg? Dat was een onoplosbaar probleem, een patstelling. De wereld klopte niet. En soms deugde zij ook niet, wanneer ik zag hoe mijn vader, een intens lieve man, kon lijden onder medische specialisten met wie hij moest samenwerken. Sommigen behandelden hem als voetveeg. Hoe kon iemand die zo goed was zo moeten lijden, vroeg ik me af.

‘Later in mijn puberteit stuitte ik op grotere vraagstukken die me onoplosbaar voorkwamen, zoals het kwaad en het geweld in de wereld. Oorlogen leiden nergens toe, maar jezelf niet verdedigen vond ik ook geen optie. Ik kreeg dat in mijn hoofd niet sluitend. Survival of the fittest zag ik als iets van het dierenrijk, waar wij als mensen aan voorbij zouden moeten zijn. Toch zijn we deels ook dieren die naar dat principe handelen. Dat soort dilemma’s probeerde ik te doorgronden, maar ik kwam er niet uit in de alledaagse, imperfecte werkelijkheid om me heen. Vandaar de aantrekkingskracht voor mij van de bibliotheek en de kerk, allebei instituten met eeuwenoude wijsheid, geslepen door de tijd als diamanten.’

‘Tijdens mijn promotieonderzoek was dat zeker het geval. Voor de spanning die ik voelde met de mij omringende werkelijkheid zocht ik toen de oplossing in mijn relatie tot God. Je zou dat ook als een vlucht in de dood kunnen zien: in iets wat me rust kon geven. Dan hoefde ik me vooral niet met het aardse te verbinden, niet met die The Who-kant in mezelf. Ik leefde toen nog vooral in mijn hoofd, ik dacht en hoopte dat je daarmee alles op kon lossen. Pas later ging ik inzien dat ik, om het leven ten volle te leven, mezelf ook met mijn vitaliteit en lichamelijkheid moest verbinden. Pas toen ik dat kon, ging ik me steeds meer hechten aan en verbonden voelen met het aardse gedoe.’

‘Toen ik voor de moeilijkste keuze van mijn leven kwam te staan. Ik was getrouwd met mijn eerste liefde, we waren elkaar als tieners tegengekomen. Negen jaar geleden, toen we drieëndertig jaar samen waren, leidde ik een dubbelleven. Ik had een vriendin op wie ik erg verliefd was. Daardoor stond ik voor de keuze: het ondenkbare doen en iemand van wie ik veel hou groot verdriet aandoen. Of doorgaan met een leven waarvan ik voelde: ik ben de verbinding met mezelf aan het kwijtraken.

‘Voor de buitenwereld leidde ik het leven van ‘mister Perfect’: getrouwd, drie mooie kinderen, een herenhuis met een vleugel en een diepe tuin, een vaste baan aan de universiteit. Maar van binnen voelde ik me een huichelaar. Ik herinner me dat ik door een park wandelde en opeens besefte: Ik ben verdomme vijftig en kan nog niet eens rechtop lopen. Als beeld had ik dat mijn lichaam krom was gegroeid om een ander te kunnen ondersteunen. Ik wilde rechtop gaan leven, ook al wist ik dat ik dan de hele wereld over me heen zou krijgen, mijn naasten voorop. Voor mij was dat mijn meest intense confrontatie met mijn sterfelijkheid.’

‘Omdat ik dacht: als ik dit leven niet loslaat, heb ik straks op mijn sterfbed spijt van een leven dat ik niet heb geleefd. Ik zou mijn eigen vitaliteit geweld aandoen als ik deze keuze nog langer voor me uit zou schuiven door maar in mijn toenmalige positie te blijven. Dat voelde huichelachtig. Op een bepaald moment kreeg ik het idee dat ik met mijn vrouw eigenlijk mijn vriendin aan het bedriegen was. Toen begreep ik dat ik de keuze eigenlijk al had gemaakt.’

‘Ja, zeker. Ik wist dat er veel pijn van zou komen, jarenlang. Die is er ook gekomen, enorm. Maar het was onvermijdelijk, ik beleefde het als een kwestie van leven en dood. Óf ik zou doorgaan met een schijnleven, óf ik had de moed mijn destructieve The Who-kant rechtstreeks in de ogen te kijken en te durven zeggen: Ook dat ben ik. Ook ik moet in dit bestaan vuile handen maken. Want zonder dat was er geen leven, geen groei meer mogelijk.’

‘Nee, ik ben ervan overtuigd dat dit soort levenskeuzes niet rationeel wordt gemaakt, maar op een ander niveau. Het antwoord is er al, de vraag is vooral: wil ik het ook horen, of is het te pijnlijk? Mijn credo is geworden: je moet in je leven de vraag leren leven. Zoals Rilke schreef: ‘Als je de vragen leeft, leef je misschien, langzaam maar zeker, zonder het te merken op een goede dag in het antwoord.’ In mijn ogen leiden we ons leven maar gedeeltelijk zelf, op een dieper niveau ontvouwt het zich aan ons en sturen we alleen een beetje bij. In mijn leven heb ik geleerd dat het om lichaam én geest gaat; de pijlers uit mijn jeugd, The Who en de kerk, heb ik leren integreren. Het antwoord kon ik niet alleen in de bibliotheek vinden, het bevond zich ook in die levensstroom die ons stuwt.’

‘Zeker. Ik heb me er inmiddels wel mee verzoend dat de wereld niet klopt en dat zaken vaak anders lopen dan ik wil. Dat relativeert, net als het inzicht dat ik meerstemmig ben, zowel The Who als de kerk. Dat biedt innerlijke ruimte, die me in staat stelt mild naar mezelf te kijken. Voor mij is het een sleutelbegrip.

‘Ervaar ik innerlijke ruimte, dan kan ik voor mijn eigen keuzevrijheid kiezen, hoef ik niet langer speelbal van de buitenwereld te zijn. Dat is belangrijk, want het gaat erom dat ik mijn eigen antwoord geef op de vraag die het leven me stelt, ik ben de enige die dat kan. Laat ik dat na, dan zal ik uiteindelijk spijt over het niet-geleefde leven voelen.’

‘Ik heb nog altijd een diep vertrouwen in enige vorm van continuïteit. Voor mij is het leven vooral een mysterie. Wanneer je inziet dat het niet om jou, maar om dat onverklaarbare in het leven draait dat zo veel groter is dan wij, dan kun je je onderdeel van een groter geheel voelen. Solidair met een mensheid die dit lot collectief deelt. Dan kun je je ook verzoenen met de dood, de weg van alle mensen.’

‘Mijn vriendin zegt: ‘Jij kijkt altijd weg van het lelijke en het lijden.’ En inderdaad, ik kijk bij voorkeur naar het schone. De dood is wreed en verdrietig, zeker, maar in het stervensproces zie je ook vaak een intensivering van verbindingen met de stervende, of tussen nabestaanden onderling. Ik hoor weleens: ‘Die laatste weken met mijn man of vrouw waren verschrikkelijk, maar ook de meest waardevolle weken uit onze relatie.’ Omdat je dan samen een intensiteit kunt bereiken waar je je in de rest van je leven aan kunt warmen. Kostbare schatten die ontstaan, wanneer je tot het meest reële en essentiële contact kunt komen. Op die momenten is de do Source: Volkskrant

Previous

Next