N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
Ari Aster Het ambitieuze ‘Beau Is Afraid’ is de derde film in een onofficiële filmtrilogie over verknipte families. De films maakten regisseur Ari Aster een wereldster. Maar hij blijft een enigma. Is de brave Amerikaan zelf zo verknipt?
Elke journalist die de Amerikaanse regisseur Ari Aster (1986) ontmoet heeft dezelfde vraag: hoe kan deze doodnormale, bibliothecarisachtige man de meest verknipte en originele (horror-)films van de 21ste eeuw maken?
Ook tijdens het Zoomgesprek met Europese journalisten eind april voor Asters nieuwste familienachtmerrie Beau Is Afraid wagen enkelen een poging: wat trekt je in dit onderwerp? Tevergeefs. Aster praat weifelend, achter al zijn zinnen staan vraagtekens. Soms stopt hij middenin een antwoord. Dan buigen de journalisten zich vol spanning richting hun webcams, waarna de horror-messias vervolgt: „Yeah, I don’t know.” Terug in de stoelen, volgende vraag. In de Britse krant The Guardian noemde Aster interviews eerder „een mijnenveld”. Want iedereen begint te vissen: ging er iets mis in zijn jeugd?
Aster werd in vijf jaar een sterregisseur. Zijn scenario- en regiedebuut Hereditary uit 2018 was een megahit. Een denkfilm vermomd als horror, waarin de rouw om een overleden kind een familie uit elkaar scheurt. Een moeder, zo verscheurd door rouw dat ze heil zoekt in het occulte, is enger dan de spoken en kettingzaagmonsters van gebruikelijke horror. En introspectiever dan de meeste drama’s over rouw, waarin families aan het eind dichterbij elkaar komen en er lessen worden geleerd.
Bij de première op Sundance werd Hereditary „traumatisch” genoemd en „de engste horror in jaren”. Met een recette van 80 miljoen dollar werd het de (destijds) succesvolste film van indiefilmproductiebedrijf A24.
Omdat Aster zowel het scenario schreef voor Hereditary als regisseerde, werd er ook al snel gezocht naar autobiografische details in het verhaal. In interviews omschrijft Aster zijn eigen familiegeschiedenis vaak als „erg gelukkig”, maar suggereert ook barsten in de idylle.
Aster groeide op in New York. Zoon van twee Joodse kunstenaars: een dichter en een muzikant. Hij was en is een „neurotische Jood”, zei hij tegen The Guardian. Zijn eerste filmervaring was Dick Tracy toen hij vier jaar oud was. Tijdens een scène waarin een machinegeweer wordt leeggeschoten, rende hij de bioscoop uit. „Mijn moeder moest tien blokken achter me aan rennen, terwijl ik schreeuwde.” Toen hij tien was, verhuisde het gezin naar Londen. Vader had een jazzbar geopend, dat mislukte, dus werd er weer verhuisd: New Mexico dit keer.
Daar voelde Aster zich een buitenbeentje. En ergens in die tijd begon volgens de regisseur het onheil zich op te stapelen. „Er was een tijd dat ik dacht dat mijn familie vervloekt was”, liet hij zich ooit ontvallen. Maar wát er precies gebeurde, probeert hij koortsachtig geheim te houden. Elke topregisseur heeft wat mystiek nodig.
Aster sleepte zich door die jaren met film. Hij was eenzaam en nerveus, vaste klant bij de horrorafdelingen van lokale videotheken. Door films als A Clockwork Orange en Blue Velvet ontwikkelde hij een liefde voor „gemene verhalen”. Het is merkbaar in zijn latere films. Aster martelt zijn protagonisten, dompelt ze als ratten onder in de badkuip om de kijker te laten zien hoe ze spartelen.
Aster wilde al die tijd al regisseur worden, maar het lukte hem nooit om genoeg mensen te verzamelen om te experimenteren met de regie van lowbudgetfilms, zoals regisseurs als Spielberg dat als tiener wel deden. Dus spendeerde hij zijn dagen in afzondering, werkend aan scripts die de basis zouden vormen voor zijn latere films.
Pas tijdens zijn regie-opleiding op het American Film Institute kon Aster zich omringen met andere visionaire eenlingen, zoals de Poolse cinematograaf Pawel Pogorzelski, nu een vaste kracht in zijn films. Voor zijn korte afstudeerfilm in 2011 vroeg Aster zich af wat het ergste was waarover hij een meeslepende film kon maken. Het werd een zoon die zijn vader mishandelt, The Strange Thing About the Johnsons werd meteen een internethit.
Paranoïde fantasieën en een obsessie met duistere film – horrorfilms maken lijkt dan een logische keuze. Maar Aster identificeert zichzelf niet als horrorregisseur. Wat het genre in de 21ste eeuw was geworden – tiener-slachtfilms en duveltjes uit doosjes – interesseert hem niet. „Met Hereditary begon ik een onofficiële trilogie van films over familiebanden”, vertelt de regisseur via Zoom. „Over de last van het zijn van een ouder of kind.”
Asters tweede film, Midsommar (2019), gaat over een meisje dat met haar afstandelijke vriend een midzomerfeest van een Zweedse sekte bijwoont nadat haar zusje zichzelf en haar ouders heeft gedood door hun huis vol te laten lopen met koolmonoxide. Hij werd geïnspireerd door een relatiebreuk. De thema’s: rouw en verraad.
En nu is er Beau Is Afraid: een drie uur lange odyssee vol oedipuscomplexen, genetische mankementen en, jawel, rouw. In de film overlijdt de moeder van de middelbare Beau (Joaquin Phoenix) gruwelijk en plots, waarna hij een fantastische reis langs zijn angsten, onzekerheden en onverwerkte gevoelens maakt. Het is een comedy.
„Ik weet niet of ik nog meer uit de familie-handdoek kan wringen”, zegt Aster. Hierna wil hij een western maken.
Aan de oppervlakte draaien alle films van Aster over familie, maar dieper gaat het om controle. Zijn personages zijn kansloos tegen onheil, angsten, genetica. Eén ramp is genoeg om een koers richting onttakeling in te zetten. Spartelen mag, maar dat maakt het noodlot slechts pijnlijker.
Beau Is Afraid lijkt de vervolmaking van dit thema. Beau kan geen keuzes maken. Hij wordt zonder zeggenschap door de plot gesleept. Het script voor Beau gebruikte Aster jarenlang als bewaarbak. Grappige of helse ideeën die hij niet kwijt kon in andere scenario’s schreef hij erin. Beau is het mikpunt van al Asters angsten en neurosen.
Misschien zoeken journalisten in de verkeerde hoek naar de oorsprong van Asters duistere geest. En moeten ze hem niet vragen naar zijn trauma’s, of naar wat hem is overkomen, maar juist naar wat hem níét is overkomen. Naar wat hij bang is te verliezen. Immers: Aster is de eenzame neuroot die tijdens het filmen van Midsommar zó bang was voor teken dat hij als enige kniesokken en een safarihoed droeg op de set.
Zoals Aster zelf schreef in het script voor zijn allereerste korte film: „Vreselijke dingen die mensen overkomen zijn onlosmakelijk verbonden met mensen die denken dat vreselijke dingen hun zullen overkomen.”
NieuwsbriefNRC Film
De beste filmstukken, interviews en recensies van de nieuwste films
U kunt ons via dit formulier informeren over taalfouten of feitelijke onjuistheden, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken worden niet gelezen.
Source: NRC