Home

‘Neem je morgen dan bloemen voor me mee?’, vroeg ze aan haar zus. Zonnebloemen.

De ogen van mijn vrouw gingen over mijn gezicht en bleven hangen op mijn kin. ‘Hé’, zei ze verbaasd, ‘heb je nou opeens grijze haren?’. Ik pakte mijn telefoon en zette hem in selfiestand. Inderdaad, er leek wel wat meer witgrijs in mijn baard te zitten. ‘Dat moet dan in de afgelopen dagen zijn gebeurd’, constateerde ze. We zaten naast elkaar, ieder in een eigen stoel. Voor ons stond het ziekenhuisbed waar onze jongste dochter de afgelopen dag en nacht in had gelegen. Op het tafeltje dat over het bed heen hing, lagen een kleurplaat en wat stiften en een half opgegeten stuk appeltaart. Zelf zat ze op het opklapbed waar mijn vrouw de afgelopen nacht in had geslapen en bladerde door een stickerboek. Uit de broekspijp van haar pyjama bungelde een kabeltje en om haar elleboog zat een blauw verband, waaruit een doorzichtig slangetje stak. In het slangetje zat een restje bloed.

Het begon een dag eerder bij een bezoek aan de huisartsenpost. Van het ene ziekenhuis werd ze doorgestuurd naar een ander ziekenhuis aan de andere kant van de stad, waar tests en metingen uitwezen dat ze weer terug naar het eerste ziekenhuis moest en daar die nacht moest blijven. Toen we ’s avonds afscheid namen, omhelsden mijn dochters elkaar lang. ‘Neem je morgen dan bloemen voor me mee?’, vroeg ze aan haar zus. Zonnebloemen.

Toen ik even later thuis in bed lag, stuurde mijn vrouw een foto. Ik zag mijn kleine meisje op het ziekenhuisbed. Op haar schoot een bord met een beschuitje met muisjes. Om haar heen lagen slangen en kabels, die allemaal op haar waren aangesloten en iets maten of aftapten of toedienden. Hou je bij de feiten, zei ik tegen mezelf. Heb vertrouwen. Denk niet aan de ergste dingen. Blijf kalm. Gebruik je verstand. Maar ook: zet je schrap. Ergens in dat schemergebied tussen geloof en twijfel, tussen rede en schrik, won onrust het van nachtrust. En werden bruine haren grijs.

Uit het openstaande raam waaide frisse lucht naar binnen. Op het aanrecht in de hoek van de kamer lagen de zonnebloemen die we hadden meegenomen, nog in folie. Eerder op de dag waren de cliniclowns langs geweest. ‘Dit zijn mensen die zieke kinderen aan het lachen maken’, had ze tegen mijn vrouw gezegd toen de clowns weer vertrokken waren, ‘maar ik vond het niet grappig.’ Het medicijn dat ze kreeg, werkte en de apparaten waren losgekoppeld. Over een paar minuten zou een arts met tatoeages op haar bovenarmen de kamer binnenkomen. Ze zou vertellen dat ze goed nieuws had en dat we naar huis mochten. Dat kwam zo. Nu schoten de ogen van mijn vrouw over mijn nieuwe grijze haren. Ze glimlachte. ‘Sexy hoor’, zei ze. En meteen daarna: ‘Goed om te zien dat bij jou ook de aftakeling begonnen is.’

Source: Volkskrant

Previous

Next