Hij bouwde schitterende villa’s van Mobaco. Samen maakten we van lego poppenhuizen, voordat er themadozen en legopoppetjes bestonden. Met Oost-Indische inkt maakte hij platen die ik mocht inkleuren; hij was de enige die ik kende die een kameel of paard kon tekenen die echt leken. Als hij een radio of klokje uit elkaar peuterde, kreeg hij wél alles weer op zijn plaats. Hij hielp me met het voorbereiden van wiskundeproefwerken, met engelengeduld, zonder één keer te zeggen dat ik dom was, of traag, of een meisje.
Er gebeurt van alles in de wereld, maar mij interesseert het even niet. In mijn hoofd en hart is maar plaats voor één droevig feit. Mijn broer Piet is dood. Zomaar, plotseling. Dat was niet de afspraak. Piet, 10 jaar ouder dan ik, mijn op een na oudste broer van de drie boven mij, was er altijd, en zou er altijd zijn. Ik stond er geen seconde bij stil dat dit kon veranderen. Hij was nooit ziek.
Ook toen hij vorige week het ziekenhuis in ging voor een operatie, waren we niet gealarmeerd. Hij was niet iemand voor rampen of drama. Het zou wel goed komen, dat dacht hij zelf ook. Maar hij ontwaakte niet uit de narcose. Hij gleed stilletjes weg in een eeuwige slaap, zonder doodsangst of doodsstrijd. Eigenlijk paste dat bij hem.
‘Piet slijt niet’, zei mijn vader altijd over zijn tweede zoon, die daar wat ongemakkelijk bij lachte. Mijn vader bedoelde dat hij geen gezin had, geen topcarrière, dus in zijn ogen geen verantwoordelijkheden. Dat hij dook voor het serieuze leven. Dat was misschien zo, maar wat dan nog? Mag dat niet?
Piet richtte zijn leven zorgvuldig in, zonder iemand tot last te zijn. Hij volgde niet het gebaande pad. Na de hbs-b studeerde hij farmacie en daarna werkte hij bij een medische databank. Zijn werkelijke leven lag daarbuiten. Hij zat niet achter vrouwen aan, maalde niet om status. Hij had één grote liefde. Toen het uitging werd zij z’n beste vriendin, tot op de dag van zijn dood. In de heuvels van de Bourgogne bouwden zij samen een ruïne uit tot een lieflijk, uit oude stenen opgetrokken dorpje – een levenswerk. Elk seizoen brachten vele vrienden er hun vakantie door. Er was één regel: je mocht Piet niet storen in zijn huis. Daar zat hij te schilderen of te knutselen, of naar zijn muziek te luisteren.
Hij was een lieve jongen, die zijn liefde zelden uitte. Zijn gevoelens liepen via de dingen. Hij was trouw in zijn voorkeuren. Hij belegde, voor de lol, en succesvol. Dol op biljarten, werd hij mede-eigenaar van een biljartcafé. Zijn huizen, in Amsterdam en Frankrijk, staan vol met dingen die hij koesterde: ingewikkelde houten kubussen, van bouwplaten gemaakte motoren en kathedralen, duizenden cd’s met bluesmuziek, stripboeken, ingeplakte Tom Poes-feuilletons. Sponzen van liefde en aandacht zijn het, die dingen.
Misschien ben ik een kind van mijn tijd: pas toen ik zijn leven zag voorbijtrekken op de slideshow die een goede vriend maakte voor de herdenking, brak ik. Dat jongetje, met die mollige beentjes. Mijn piepjonge, gelukkige ouders. Met zijn broertje op een paard, kuilen graven op het strand, een tandeloos wisselgebit – eeuwige wederkeer. De baby die erbij kwam, en nog een. Het gevoel van totale veiligheid als we samen op de bank zaten. De knokige scholier, de bleue student, een kaalgeschoren feut. Tevreden achter een biertje, na een dag bouwen. Nooit een kerel, een steeds ouder wordende jongen, die er nu ineens niet meer is.
Source: Volkskrant