Of de interviewer niet zo hard wil praten (een ingesleten gewoonte bij het bezoeken van 100-jarigen). ‘Ik ben niet doof hoor’, klinkt het assertief bij de kennismaking. ‘Alles functioneert nog uitstekend, ook mijn gehoor’, vertelt Corry van der Zon terwijl ze thee en koffie zet in de keuken van haar appartement op negen hoog. Ze heeft een fraai uitzicht op zowel de skyline van Rotterdam als Den Haag. De 100-jarige bestiert nog haar eigen huishouden, hulptroepen komen er niet in.
‘Ik sta vroeg op, dat ben ik van jongs af aan gewend. Ik was mezelf en kleed mij aan. Ik heb geen hulp nodig, ook niet in het huishouden. Alles doe ik zelf: de ramen lappen, stofzuigen, de boodschappen, aardappels schillen, koken, afwassen. ‘Wil je geen vaatwasmachine?’, vragen mijn kinderen. Nee hoor, helemaal niet nodig, zeg ik dan. Of ik niet een hulp in de huishouding zou zoeken, vragen ze ook. Nee hoor, ik kan nog alles zelf en waarom zou ik een vreemde in huis halen? Een zoon brengt mij elke dag Belgische kranten, die krijgt hij van zijn Belgische vriendin. Ik lees ze en maak de puzzel. In de middag krijg ik meestal bezoek: kinderen of kleinkinderen. Dan vraag ik of ze tijd hebben om te rummikuppen. Een middagdutje doe ik nooit. In huizen stoppen ze oude mensen vaak ’s middags in bed. Dat kun je beter niet doen, want dan slaap je in de nacht niet goed.’
‘Ik ben niet kleinzerig en heb altijd hard moeten werken. Ook heb ik nooit iets overbodigs gegeten, en nooit gezopen. Maar één keer in mijn leven ben ik tipsy geweest. Wil je weten hoe dat kwam? Mijn kinderen waren nog klein toen mijn zus op een dag tegen 17.00 uur langskwam. Ze had een fles vieux bij zich en vroeg: ‘Cor, wil je ook wat?’ Het was tegen etenstijd, dus ik had een lege maag. Ik nam een glaasje en daarna bleef ik maar lachen, ik had zó’n schik! ‘Je bent teut’, riep mijn zus uit.’
‘Ik heb een goede engelbewaarder, die mij een paar keer heeft gered. In de oorlog fietste ik van mijn werk naar huis, over een stille weg door de weilanden. Op een dag zag ik aardappelen op straat liggen, zette mijn fiets aan de kant en ging ze oprapen. Ineens kwam er een auto aan, één been werd geraakt, ik wist snel een sprong naar de kant van de weg te maken. Die sprong was mijn redding. Ik bid elke avond, al vanaf dat ik een klein meisje was: ‘Engel Gods die mijn bewaarder zijt, aan wie ik door de goddelijke goedheid ben toevertrouwd, verlicht, bewaar, begeleid en bestuur mij. Amen.’
‘Ik was heel gedwee, deed alle klusjes die mij werden opgedragen. Als een zus moeite had met haar breiwerk, zei mijn moeder: ‘Oh, dat doet Corry wel.’ En zo was het vaak: moeten de schoenen gepoetst worden? Dat doet Corry wel. Maar zo gedwee ben ik nu niet meer hoor, ik heb haar op mijn tanden gekregen.
‘Dat begon al in mijn jeugd. We mochten alleen op straat spelen. Een keer ging ik bij een stel knullen staan. Eén knul gaf mij een zet en zei: ‘Weg jij!’ Ik was boos en ging naar huis om een stok van mijn broer Martien te halen. Met die stok ging ik terug naar de jongen op straat. Hij riep: ‘Durf eens!’ Ik: ‘Mag ik?’ en ik sloeg hem zo op zijn bek. Ik liet de stok vallen en rende de straat uit, naar de fabriek waar mijn vader werkte. Die jongen hoorde ik hijgend achter mij aan rennen: ‘huh, huh, huh’. Het was een dikke knul, hij kon mij niet bijhouden. Mijn vader bracht mij achterop de fiets naar huis. Weer thuis vroeg mijn moeder of ik in de tuin de schoenen wilde poetsen. Zag ik ineens boven de schutting het hoofd van de moeder van die knul verschijnen, mijn stok in haar handen geklemd. ‘Wacht maar, meisje’, zei ze. Ik pakte alle schoenen op en ben naar binnen gegaan. Van die moeder heb ik nooit meer iets gehoord.’
‘Als bezoek vroeg wat ik later wilde gaan doen, zei mijn vader: ‘Oh, die gaat het klooster in.’ Ik zei niks, en dacht: aan me nooit niet. Ik wilde graag verpleegkundige worden, maar ik moest al jong in betrekking, op mijn 13de. Het geld dat ik verdiende mocht ik zelf houden, omdat ik uit huis was en helemaal voor mezelf moest zorgen.’
‘In een katholiek gezin met elf kinderen. We woonden in de voormalige oranjerie van prinses Marianne in Voorburg, op het land van een boer voor wie mijn vader eerst als knecht werkte. Later kreeg hij een baan in een gasfabriek. Thuis hadden we geen gas én geen water, dat was vreselijk voor mijn moeder. Elk kind moest al jong meehelpen in huis. Mijn taak was om 07.00 uur in de ochtend de deur open te doen voor de melkboer, daarna met papier en houtjes het vuur aanmaken in de keuken en elke dag vijf kilo aardappelen schillen. We aten suiker op ons brood, worst was te duur. En als warme maaltijd altijd hutspot met een schepje vet, en gruttenpap toe.
‘Ik kan mij niet herinneren dat ik ooit één kus van mijn vader of moeder heb gekregen. Mijn latere man Theo was bevriend met mijn broer Martien. Hij vertelde later toen we verkering kregen, dat ik als 3-jarige bij hem op schoot ging zitten. Dus toen vond ik je al leuk, zei ik hem, haha. Martien heeft met Kerst 1951 een eind aan zijn leven gemaakt, hij was 32 jaar. Mijn broer was een goeie jongen, maar hij was zwaarmoedig geworden. Martien was verliefd op Trees. Maar toen hij dat kenbaar maakte, vertelde haar moeder dat Trees de volgende dag haar plechtige gelofte ging doen, dus als non het klooster in ging. Zijn wereld stortte in. Martien spaarde voor een boerderijtje. Bij het zagen van een konijnenhok verloor hij de vingers van zijn linkerhand. ‘Nu kan ik geen boer meer worden’, zei hij.
‘Mijn ouders waren lid van Herwonnen Levenskracht (een organisatie van de katholieke vakbeweging die arbeidersgezinnen steunde waar tbc in voorkwam, red.) Als lid kreeg je regelmatig een boek. In zo’n boek zag ik een tekeningetje van een plant met kinderkopjes. Ik vroeg mijn moeder: ‘Moe, waar is het land waar kindertjes groeien?’ Ze antwoordde: ‘Oh, dat is héél ver weg.’ Mijn moeder was denk ik blij dat ik niet doorvroeg. In mijn jeugd werd niet verteld waar kinderen vandaan komen enzo.’
‘Bij elk kind dat erbij kwam zei mijn vader: ‘Eén opvreter erbij, één opvreter eruit’. Van zijn loontje kon hij niet alles betalen. Op mijn 13de werd mijn zusje Clazien geboren en moest ik eruit. Ik ging in een gezin met negen kinderen werken, als hulpje voor dag en nacht: de was, vegen, schrobben, koper poetsen, met de ragebol de buitenmuren doen. Daarna kwamen nog heel veel betrekkingen. In 1939 bij de deftige familie Gunneweg. Als de man van mevrouw naar buiten ging, moest ik achter hem aanlopen om te zien of hij niet naar meisjes keek. Gek wijf, dacht ik. Als ze feestjes gaf, moest ik helpen met de voorbereiding. Na afloop zei ze een keer dat er bitterballen over waren, of ik er eentje wilde. Ik wist niet wat dat was, bitterbal klonk niet erg lekker, dus durfde ik er geen te nemen.’
‘Ik was niet achterlijk! Ik hoorde wel wat van mijn oudere zussen. Eén vroeg een keer: ‘Heb je al je ding?’ En toen vertelde ze erover.’
‘Of ik al ongesteld was. En ik had weleens gelezen dat het heerlijk moest zijn als je samen was. In ieder geval ben ik blij zoals ik heb geleefd. Er zijn altijd dingen die je niet had willen doen of wel had willen doen.’
‘Ik had liever moeten zijn tegen mijn man Theo en niet moeten zwijgen als er iets niet naar mijn zin was. Liever dan tegen hem uit te varen, zei ik helemaal niks meer. Dan leed hij in stilte. Ik had meer met hem willen praten, maar dat deed hij ook niet. Dat kwam door onze opvoeding. Toen hij lag dood te gaan, zei ik: ‘Theo, het valt niet mee hè?’ Daarop zei hij: ‘In angst en vrezen’. Ik klapte dicht, maar had hem moeten vragen: ‘Wat voor angst heb je?’ En moeten zeggen: ‘Je bent een goede man en hebt goed geleefd, je hebt elke avond geknield voor het slapen, je komt in de hemel’.’
‘Daar heb ik nooit over nagedacht en dat ga ik ook nu niet doen. Ik vond moeder zijn van zeven kinderen heel leuk, dat was genoeg werk. Het leven gaat zoals het gaan moet.’
geboren: 11 april 1923 in Voorburg
woont: zelfstandig, in Leidschenveen
beroep: werkster en huisvrouw
familie: een zus (89), zeven kinderen, tien kleinkinderen, vier achterkleinkinderen
weduwe: sinds 2001
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden