Home

Soms maakt een onverwacht aardig gebaar een groot verschil

In de fietserstunnel richting het volgende dorp kwam een scholier aangereden met een groot en rond gezicht, diepliggende ogen en het soort kapsel dat ze in deze streek melkboerenhondenhaar noemen. Ik had wind tegen, zij mee. Niettemin fietste ze traag, niet langzaam maar zonder zin, op weg naar weer een dag vol klaslokalen, sociale hordes, blikjes Red Bull in de bosjes.

Toen we elkaar passeerden glimlachte ik. Gewoon een glimlach, niks overdrevens, niks gemaakts, gewoon, een lach van mens tot mens, ik zou haast zeggen een melkboerenhondenglimlach. Maar wel één met een doel, een gebaar, een boodschap. Kom op meid, je kunt ’m hebben, deze dag, alles komt goed.

Ik herinnerde me ze nog, de dagen dat je zelf met lood in je schoenen naar school fietste. Er was nooit iets noemenswaardig aan de hand, niets dat verder ging dan de gebruikelijke verwarring die gepaard gaat met opgroeien, met de onrechtvaardige samenleving die een schoolplein is, maar dat wist je toen nog niet. Je fietste dat hele end, Eddie Vedder in je oren, in de meeste gevallen moest je later constateren dat een mens inderdaad het meeste lijdt door het lijden dat men vreest, andere dagen kwam je nog veel chagrijniger thuis dan je was vertrokken en moest je moeder ’s avonds met betere teksten komen om je de dag erna weer die fiets op te krijgen. Alle keren overleefde je.

Ik weet niet of het mij zou hebben geholpen, een glimlach van een vrouw op een fiets met een kinderzitje, ik denk het niet, ik denk dat er maar één ding had geholpen en dat zou een glimlach zijn van Erwin, of van Remco, of íémand van de andere sekse, maar goed, kwaad kon het óók niet. Op latere momenten in mijn leven had een onverwacht aardig gebaar soms het verschil gemaakt tussen jezelf weer bij de kladden pakken en nog dieper het wak in zakken, en nooit was die ander zich daar bewust van geweest. Tijdens mijn studie: een Amsterdamse trambestuurder die na een ochtend vol regen, vertragingen, struikelen en vlekken voor mijn neus wegreed, mijn snuit zag, halt hield en toen alsnog de deur voor me opendeed. Een andere fase, jonkie op een vals kantoor: de receptionist met haar gebbetjes, iedere ochtend weer. Wat ze zei is: ik zie alles. Weer later, mijn eerste kind: passanten die je helpen bij de trap, hop, zo, die kinderwagen is boven.

Dat was het aardige van ouder worden, dacht ik toen ik verder fietste, dat je eindelijk eens wat wég kon geven. Spullen, kleding, geld als het nodig was, maar vooral: aandacht. Op een zeker moment in je leven bereikte je een punt dat je al die zaken zelf wel zo’n beetje op orde had, niet eens in overvloed maar in een stabiele hoeveelheid, een te vertrouwen voorraad, en ontstond als vanzelf de ruimte om er voor een ander te zijn. Hier een hand, daar een luisterend oor. Een glimlach naar een kind dat er even geen zin in heeft.

Die middag zat ik weer op de fiets, dit keer met een dochter in mijn kielzog, een meid bij wie je op straat ogen in je rug moet hebben want ze heeft dezelfde verstrooide motoriek als haar vader. In de verte naderde een verlaagde herriebak met daarin het soort gozer dat wij hier in deze streek zo’n klein teringlijertje noemen, compleet met petje en koningsketting, en ik wilde net mijn dochter bij de kladden pakken toen hij zijn auto stil liet staan en ons vriendelijk glimlachend liet voorgaan, een beleefd knikje op de koop toe.
Niet iedereen hoeft er eerst oud voor te worden.

Source: Volkskrant

Previous

Next