N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
Koloniaal verleden De betovergrootvader van redacteur Thijs Niemantsverdriet verdiende een fortuin met oliewinning op Java. ‘Opa Stoop’ geniet een erestatus in de familie, maar een achterneef voelt ongemak over de erfenis – en gaat op onderzoek uit.
Ik kijk naar de foto van een buste. Een buste van een oudere man, met baard en vlinderdasje, soeverein voor zich uitkijkend. Zijn blik is die van iemand die gewend is dat mensen naar hem luisteren.
Deze man is Adriaan Stoop, mijn betovergrootvader. Ontmoet heb ik hem nooit – hij is al bijna negentig jaar dood. Toch weet ik veel over hem, meer dan veel mensen over hun betovergrootvader zullen weten.
Ik zie de foto op een projectiescherm in de Uilenburgersjoel, een zaal in de binnenstad van Amsterdam. Om mij heen: zo’n tachtig familieleden, gezeten op witte stoeltjes. Veel mensen zijn boven de zestig, maar er zijn ook aardig wat jongeren. Door de hoge ramen van de sjoel schijnt de herfstzon naar binnen. Het is een zondagmiddag in oktober 2022.
Buste van Adriaan Stoop, Nederlands eerste olietycoon, in de hal van het Tropeninstituut in Amsterdam. Foto archief Stichting Stoop-Van Deventer
Buste van Adriaan Stoop, Nederlands eerste olietycoon, in de hal van het Tropeninstituut in Amsterdam. Foto archief Stichting Stoop-Van Deventer
„Kijk, hier zie je duidelijk het ongemak.” Dat is de stem van Melle, mijn achterneef. Terwijl hij de zaal toespreekt, wijst hij naar het scherm. Hij staat ook op de foto, naast de buste van Adriaan Stoop. Een schaapachtige lach op het gezicht, de handen wat onbeholpen in de zij.
Net als ik is Melle een achter-achterkleinzoon van Adriaan Stoop. Toen hij twintig was, erfde hij een aanzienlijk bedrag. Het was afkomstig uit het fortuin dat Stoop verwierf met oliewinning in Nederlands-Indië. Die erfenis stelde Melle in staat een appartement te kopen in Amsterdam, samen met zijn zus. Maar, zo vertelt hij aan de zaal, het bezorgde hem ook een ongemakkelijk gevoel. Het kapitaal was vergaard in de hoogtijdagen van het kolonialisme. Welke prijs hadden de bewoners van het toenmalige Indië betaald voor die mooie winsten? Wat moest hij met een erfenis die afkomstig was „uit een radicaal ongelijke samenleving”?
Onlangs voltooide Melle, een tengere man van eind twintig met halflang haar, zijn studie geschiedenis. Voor zijn scriptieonderzoek verdiepte hij zich in de oliebusiness van opa Stoop. Hij ontdekte een heleboel interessante zaken die we in de familie nog niet wisten – of dáchten niet te weten.
De uitkomsten van zijn onderzoek gaat hij nu met ons delen. Op het scherm verschijnt de titel van zijn presentatie: ‘Nieuw licht op Adriaan Stoop’.
Op het scherm verschijnt: ‘Nieuw licht op Adriaan Stoop’
Adriaan Stoop was Neerlands eerste olietycoon. Zijn onderneming, de Dordtsche Petroleum Maatschappij (DPM), pionierde eind negentiende eeuw in de oliewinning op Java en was een van de voorlopers van Shell. Na zijn pensionering ontpopte Stoop zich tot weldoener te Bloemendaal, waar hij bij terugkeer in Nederland was neergestreken.
In mijn familie kent iedereen het levensverhaal van ‘opa Stoop’. Dat hij, vers afgestudeerd als mijnbouwkundig ingenieur, aanvankelijk naar Indië vertrok om naar drinkwater te boren. Dat hij al gauw vermoedde dat er kostbare olie in de Javaanse bodem zat. Dat hij naar de Verenigde Staten reisde om kennis en contacten op te doen in de oliewereld. Dat hij met succes boorde op Oost-Java, de gevonden petroleum omzette in lampolie en deze – via een Chinese tussenhandelaar – verkocht aan de lokale bevolking. Dat hij ‘de Dordtsche’ uitbouwde tot een succesvolle, beursgenoteerde firma, die uiteindelijk opging in de Koninklijke Olie en Shell. Dat hij, nadat de verkoop van zijn levenswerk beklonken was, terneergeslagen de stoep van zijn villa beklom en tegen zijn echtgenote mompelde: „Vrouw, we zijn rijk.” En dat hij, terug in Nederland, anderen deelgenoot maakte van zijn rijkdom: hij betaalde mee aan het Tropeninstituut, stichtte twee scholen, waaronder het Kennemer Lyceum, en liet op eigen kosten een openbare badinstelling bouwen: Stoop’s Bad in Overveen, tot in de jaren negentig van de vorige eeuw in gebruik.
Adriaan Stoop overleed in 1935. En al hebben zijn nazaten zich sindsdien vertakt in vier staken en tientallen families – nog steeds houdt de patriarch deze mensen bijeen. Hij geniet een erestatus, daar is geen twijfel over mogelijk. Er bestaat een familiestichting, er is een lijvige biografie geschreven door een achterkleindochter, en een boek over de staken, waarvan ieder familielid een exemplaar ontvangt op zijn of haar achttiende verjaardag.
Ook ik hoorde van jongs af aan over opa Stoop. Mijn grootvader vertelde me over zijn bezoeken aan diens villa, als jongetje in de jaren twintig. Reden we over het Adriaan Stoopplein in Overveen, onderweg voor een dagje strand, dan riep mijn moeder: „Kijk, Stoop’s Bad!” Het woord ‘Dordtsche’ werd in de familie met de nodige achting uitgesproken, merkte ik – al begreep ik destijds maar half waar het voor stond.
Villa ‘De Rijp’ van Opa Stoop in Bloemendaal.
Foto archief Stichting Stoop-Van Deventer
Familiefoto uit 1888, genomen in Dinoyo. Links zittend Adriaan Stoop. Foto archief Stichting Stoop-Van Deventer
Wat ons nazaten ook jarenlang bijeenhield, was een financiële verbintenis. Die vloeide voort uit een opmerkelijke coda in Stoops carrière als ondernemer. Na zijn terugkeer naar Nederland boorde hij opnieuw naar olie, ditmaal in Beieren. Dat mislukte, maar wat hij wél vond, was een bron met uiterst geneeskrachtig zwavel- en jodiumwater. Hij besloot een deel van zijn in Indië verworven kapitaal te gebruiken om er een kuuroord te bouwen.
Dit Jod-Schwefelbad Bad Wiessee, het grootste private kuuroord van Duitsland, bleef ruim honderd jaar in handen van onze familie. In het aanpalende vakantiehuis brachten de nazaten van Stoop generaties lang zomer- en wintervakanties door. De aandeelhoudersvergaderingen van Bad Wiessee – in de beginjaren in het Amstel Hotel in Amsterdam – vormden een jaarlijkse reünie, waar de familiebanden werden aangehaald en waar men verhalen vertelde over vroeger.
Nooit voelde de familie ongemak over de oorsprong van het familiekapitaal. Integendeel, het was een bron van trots. Opa Stoop was gewoon een verdraaid slimme ondernemer geweest en bovendien een gulle filantroop, met zijn scholen en zijn zwembad. En had hij niet heel Java voorzien van lampolie, waardoor in tienduizenden kampongs ’s avonds het licht aan ging? Dat was toch je reinste vooruitgang!
Als het al ging over Stoops rol in de koloniale tijd, werd er graag verwezen naar zijn zwager, Coen van Deventer, met wie hij een leven lang innig bevriend was. Van Deventer – jurist en ondernemer in Indië, later Eerste Kamerlid – gold begin twintigste eeuw als een belangrijk voorvechter van de ‘ethische politiek’. Dat was, kort gezegd, het streven om de Indische bevolking niet langer te onderdrukken maar te verheffen. Met als doel een vorm van zelfbestuur op de lange termijn. Als zijn zwager en boezemvriend er zulke verlichte ideeën op nahield over Indië, luidde de redenering, dan gold dat zonder twijfel ook voor Stoop. Hij stond ‘aan de goede kant’.
Nadenken over de koloniale erfenis van onze familie, dat had ik nooit gedaan
Begin 2020 kreeg ik een e-mail van Melle. Veel contact had ik nooit met hem gehad, ook al woonden we allebei in Amsterdam. Melle en ik schelen meer dan vijftien jaar, bijna een generatie.
Melles mailtje prikkelde mij meteen. Hij was bezig met een documentaire over „hoe onze familiegeschiedenis in Nederlands-Indië ons leven in het heden heeft gevormd”. Konden we een keertje afspreken, vroeg hij, om over dit onderwerp van gedachten te wisselen? „Het leek me dat jij daar wel in mindere of meerdere mate over hebt nagedacht.”
Een aardig compliment, maar het klopte niet. Ja, ik had vaak over opa Stoop gepraat met familieleden, en ook zijn biografie gelezen. Ik was zelfs een keertje langs geweest bij zijn biograaf, Henriëtte van Voorst Vader-Duyckinck Sander (in de familie bekend als Jet), met een vaag idee voor een artikel. Maar nadenken over de koloniale erfenis van onze familie – want dat was waar Melle op doelde –, dat had ik nooit gedaan. Ik zag opa Stoop vooral als een mooi verhaal, geschikt voor bij borrels en etentjes: mijn betovergrootvader de olietycoon.
Misschien kwam het ook omdat er in mijn tak van de familie niet zo veel fortuin was. Zeker, ook ik had geërfd van opa Stoop – maar wel minder dan Melle en andere nazaten. De reden: mijn grootvader was wat ongelukkig omgesprongen met zijn deel van de erfenis. Zijn werk als architect leverde zo weinig geld op dat het familiekapitaal er vrij snel doorheen ging.
Waarom was ik dan toch gefascineerd? Door mijn werk, vermoed ik. Sinds enige jaren woedde in Nederland een rumoerig debat over het koloniale verleden. De stad Amsterdam maakte aanstalten om excuses aan te bieden voor haar rol in de slavernij in ‘de West’ – iets waarover ik in NRC regelmatig schreef. Historici onderzochten de oorlogsmisdaden van het Nederlandse leger tijdens de dekolonisatieoorlog in Indonesië, ‘de Source: NRC