De meeuwen zijn terug. Als Vikingen van weleer trekken ze moordend en rovend door de stad. Hun krijsen, tieren en gillen heeft onze merel verjaagd. Vuilniszakken zijn opengescheurd, meerkoetjes aangevallen, kuikentjes opgegeten. Er worden trouwens ook ineens heel veel poezen vermist. Just sayin’.
De meeuwen komen paren en nestelen. Dan krijgen ze ruzie. Hun gekrijs bevat een hoop ‘Hee jij, ja jij, oprotten, nee echt opzouten nou, wat zeg ik nou net, gast ik zweer, als je niet optieft...’
De he-le dag. Krijs krijs krijs.
Onacceptabel natuurlijk. Ik betaal verdorie geen belasting om elke ochtend wakker te worden gegild door dat tuig. Dus toen onze vuilniszakken weer eens ruw waren opengescheurd en de hele inhoud over de straat lag verspreid, liet ik mijn innerlijke Boze Witte Man bovenkomen, en stuurde op hoge poten een mailtje naar de gemeente. Op héél hoge poten, mag ik wel zeggen. Om u een indruk te geven hoe hoog: toen ik het wilde verzenden, moest ik eerst vijf uitroeptekens verwijderen.
Ik kreeg een mailtje terug dat de gemeente, helaas, niets mocht doen omdat de meeuw een beschermde diersoort is. Huh? Wat? Alle meeuwen? Ja meneer, alle. Maar hoe kun je nou honderden soorten over één kam... IK ZEI ALLE!
Kijk, ik snap het wel: in het wild nestelen ze op de grond, in duinen enzo, maar daar krioelt het tegenwoordig van de fietsmannen en nordic walkers. Dan is zo’n plat stadsdak wel zo rustig. Plus die grote grijze zakken vol lekkernijen op de stoep, krijs daar maar eens nee tegen. Alleen: kunnen ze niet op een bedrijventerrein nestelen? Op de Carpetright ofzo?
’s Nachts verzon ik strategieën. Als ik nu eens met een drone hun nesten opzocht en hinderlijk ging zoemen daar? Is dat illegaal? Ik zou ook briefjes in alle brievenbussen kunnen gooien met alles wat je niet mag doen met meeuwennesten, in de hoop mensen op ideeën te brengen.
Ter mijner verdediging: deze gedachten had ik alleen ’s nachts, gedurende de uren waarop men moorden overweegt.
Op één van die nachten ging ik googlen op schietgerei. Ook omdat ik al mijn hele leven een geweer wil hebben. Ik hou van schieten, ben er vrij goed in, maar heb er geen enkele uitlaatklep voor. Als ik nu eens een luchtbuks kocht...?
Het bleek dat ik voor een paar tientjes al een proppenschieter kon kopen, en voor een luttele tienduizend euro meer een gasaangedreven geweer waarmee je een olifant kunt omleggen – volledig legaal (het geweer dan, niet de olifant omleggen). YouTube toonde talloze filmpjes van enthousiaste liefhebbers die angstaanjagend grote gaten schoten in emmers en verkeersborden. Na een tijdje was mijn waanzin opgebrand, en kon ik weer slapen. Even dan, want toen begonnen de meeuwen weer.
Die ochtend stond er een zilvermeeuw ter grootte van een klein vliegtuig op mijn autodak intimiderend en prachtig te wezen. Zijn kop leek bedekt met flanel, zo zacht en glad, met daarin gele ogen waar met een fijn penseel een rood randje omheen was getrokken, en onder op de machtige snavel een felle oranje vlek. Ik voelde in elke vezel van mijn lijf dat ik nooit, maar dan ook nooit zoiets moois iets zou kunnen aandoen. Ik drukte op de autosleutel, de auto deed z’n piepjes, het prehistorische beest nam twee petsende stappen op zijn gele flippers en nam vlucht.
Oordopjes, ik moet oordopjes kopen.