Abel Bolink (21) heeft een pittige week achter de rug. Hij heeft net zeven dagen en nachten met het Israëlische leger geoefend in de woestijn. In een tent overnachten was er niet bij. Hij sliep in de open lucht op de grond, op een matje. Van enige luxe was geen sprake: de training is erop gericht om te leren overleven met zo min mogelijk. Dus moest hij zich redden op een karig rantsoen van een blikje mais en een blikje tonijn per dag, zonder douches of wc. Een immens verschil met het leven dat hij tot voor kort leidde in Amsterdam-Zuid. Toch zul je hem niet horen klagen. Hij heeft zich heel bewust aangemeld bij het Israëlische leger, omdat hij zich voor Israël wil inzetten. ‘Ik wil niet alleen gebruikmaken van Israël, maar wil ook iets terugdoen.’
Hij is verbonden aan de luchtmobiele brigade. Na zijn dienstverband van anderhalf jaar zal hij waarschijnlijk terugkeren naar Amsterdam. Tot die tijd is hij een lone soldier, een jonge militair die niet kan terugvallen op een thuisfront; soms omdat de familie het niet eens is met hun beslissing om in het leger te gaan, in andere gevallen omdat die familie te ver weg woont. Zijn ouders waren aanvankelijk bepaald niet enthousiast toen hij ze vertelde dat hij dienst wilde nemen in het Israëlische leger. ‘Mijn moeder is een lieve bezorgde vrouw. Als ik in Amsterdam honderd meter door het donker moet fietsen moet ik haar na aankomst al een appje sturen. Ik snap dat ze er niet op zit te wachten dat ik straks met een wapen ergens bij de Gazastrook kom te staan. Mijn ouders hadden me liever rechten zien studeren in Amsterdam. Inmiddels hebben ze er vrede mee en zijn ze trots op me.’
Aanvankelijk had hij ze niet eens verteld van zijn pogingen contact te leggen met het leger. ‘Ik wist domweg geen goede manier om het ze te vertellen. Het is voor een ouder toch een nachtmerrie als je kind opeens in een buitenlands leger wil dienen.’ Terwijl de risico’s niet overschat moeten worden. ‘Dronken op de fiets door Amsterdam rijden is een stuk gevaarlijker.’
Tijdens een oefening moet hij zijn mobiele telefoon afgeven. Afgelopen week mocht hij dus niet naar huis bellen. Maar normaal gesproken belt hij zijn ouders elke dag. ‘Dat heb ik eerlijk gezegd ook echt nodig. Omdat ik ze heel erg mis. Ik mis het om Nederlands te praten, ik mis gewoon een beetje warmte om me heen. Het leger is natuurlijk geen heel warme plek waar iemand vraagt: hoe gaat het nou met je? Dan is het ontzettend fijn om even met een vertrouwd iemand te kunnen praten over wat je allemaal meemaakt.’ En hij mist Nederland. ‘Ik mis het eten, de kou, de geuren. De geur van de Beethovenstraat, de lucht van de Albert Cuypmarkt, de geur van verse stroopwafels. Dat heb je in Israël natuurlijk niet.’ Wat hij ervoor terugkrijgt? ‘Eerlijk gezegd heel weinig. Een blikje tonijn en een blikje mais. En toch vind ik het belangrijk om te doen wat ik nu doe.’
Hij heeft in Nederland nooit een seconde gedacht aan een dienstverband bij het Nederlandse leger. Het gáát hem ook helemaal niet om het militairendom. ‘De enige reden dat ik dit ben gaan doen is dat ik als Joodse jongen erg van Israël hou. Ik wil mijn bijdrage leveren aan dit land. Tegelijkertijd voel ik me enorm Nederlands. Ik voel me net zo Nederlands als dat ik me Joods voel. Alleen is de oorlogsdreiging hier veel groter dan in Nederland. Het bestaansrecht van Nederland staat niet op het spel. Terwijl ze me hier echt nodig hebben.’
Hij heeft vooraf goed uitgezocht of hij als Nederlandse jongen in vreemde krijgsdienst mocht treden. Dat is officieel niet toegestaan wanneer het gaat om een leger dat niet binnen de Navo valt. ‘Maar Israël heeft daarin een uitzonderingspositie.’ Daardoor blijft hij gewoon Nederlands staatsburger. ‘Als ik mijn Nederlandse staatsburgerschap had moeten opgeven, had ik het niet gedaan.’
Abel Bolink groeide op in een Joods gezin in Amsterdam. Ze waren thuis niet religieus, maar vierden wel alle feestdagen. ‘Mijn opa was rabbijn dus we vierden altijd met z’n allen sabbat. Met kaarsen, wijn en challe (brood). Dat is voor mij nog steeds belangrijk. Al is Joods-zijn voor mij meer een identiteit dan een religie.’ Israël speelde een grote rol tijdens zijn jonge jaren.
Abel ging vaak met zijn ouders en zijn vier jaar oudere broer David naar het land op vakantie. Wat dat betreft is het best vreemd om in Israël te zijn zonder hen. Helemaal zonder David, want David is altijd zijn beste vriend geweest. Eigenlijk deed hij steevast alles hetzelfde als zijn broer: hij ging naar dezelfde hockeyclub, werd lid van dezelfde debatclub. ‘Dit is in feite mijn eerste stap zonder hem.’ Misschien ook wel om zich een beetje van hem los te maken, nu hij er zo over nadenkt. ‘Dat heeft er absoluut mee te maken. Er is ook altijd een soort competitie tussen ons. Op deze manier onderscheid ik me van hem, door een eigen weg te kiezen.’
De Joodse gemeenschap waarbinnen hij in Amsterdam opgroeide voelde als een warm bad. ‘Een soort klein dorpje waarin iedereen elkaar kent. Het voordeel is dat je altijd weet bij welke familie je moet aankloppen wanneer er iets is. Het nadeel is dat je in een eigen bubbel leeft.’ Daarom was het goed dat hij niet op een Joodse school zat. Zo kreeg hij ook niet-Joodse vrienden. Al snapten zijn klasgenoten niets van het zionisme. Hij had een Joodse vriend in de klas die net als hij naar de Joodse jeugdvereniging Haboniem ging. Soms bezochten ze tien dagen lang een jeugdkamp in Brabant, waar ze les kregen over het zionisme. ‘Andere kinderen begrepen nooit wat we daar deden. Ze maakten flauwe grappen over ‘jodenkampen’.
De Joodse gemeenschap in Nederland is bepaald geen homogene groep. ‘Zoals mensen zeggen: twee Joden, drie meningen. Joden kunnen enorm van elkaar verschillen en elkaar erg haten. Maar uiteindelijk is het toch een warme gemeenschap. Ik denk zelfs dat die gemeenschap alleen maar hechter wordt.’
Echte rolmodellen had Abel niet toen hij opgroeide. Of het moest zijn opa zijn. Een man die in zijn ogen diepe bewondering afdwong. ‘Een lieve wijze man. Hij had Auschwitz overleefd, maar bleef toch altijd het mooie van dingen inzien.’ Zijn opa is al tien jaar dood. Maar hij zou het ongetwijfeld prachtig gevonden hebben dat zijn kleinzoon nu dient in het leger van Israël. ‘Hij is voor mij een ijkpunt. Op momenten dat ik het zwaar heb, denk ik aan wat hij heeft moeten doorstaan. Dan besef ik dat ik het eigenlijk hartstikke makkelijk heb als ik hier door de woestijn loop.’
Hij was zich al jong bewust van wat er tijdens de Shoah was gebeurd. Ook door de verhalen van zijn grootouders die de Jodenvervolging aan den lijve hadden meegemaakt. ‘Dat is voor mij een belangrijke reden geweest om naar Israël te gaan. De Shoah bewijst hoe belangrijk het bestaan van Israël is. Mensen zeggen vaak dat Israël is ontstaan als gevolg van de Shoah, voor mij is het eerder andersom: de Shoah heeft kunnen gebeuren omdat Israël niet bestond. Als Israël er in de jaren dertig was geweest zou er geen Holocaust zijn geweest. Dan hadden de Joden tijdig een thuis gehad, waar ze hadden kunnen vluchten voor het antisemitisme.’
Antisemitisme is er altijd geweest. Hij kreeg er zelf ook mee te maken. Vaak in de vorm van ogenschijnlijk onschuldige flauwe grappen. ‘Ik heb meegemaakt dat mensen op school geld op mij gooiden. Zogenaamd grappig bedoeld. Want Joden houden van geld. Ik vond het in die tijd wel grappig. Later ben ik me gaan realiseren hoe fout dat eigenlijk was. En er is weleens een hakenkruis op mijn schrift getekend. Maar het heeft nooit ongezonde fysieke vormen aangenomen.’ Hij liep in Amsterdam ook gewoon met een keppeltje op straat. ‘Een enkele keer kreeg je vervelende reacties. Maar ik ben trots op mijn identiteit en probeer die zeker niet te verstoppen.’
De Joodse jeugdvereniging Haboniem speelde een grote rol bij zijn betrokkenheid bij Israël. Via Haboniem volgde hij op zijn 18de negen maanden lang een leiderschapscursus in Israël. Hij kan zich het besluit om zich voor Israël in te zetten nog helder voor de geest halen. Het was op het Rabin-plein in Tel Aviv, op de plek waar in november 1995 premier Yitzhak Rabin werd doodgeschoten. Tot dan toe had hij Israël vooral beleefd als een prachtig vakantieland, met fijne hotels, mooie zwembaden, lekker eten en lieve mensen. Bij het monument voor Rabin drong de onvolmaaktheid van het land opeens messcherp tot hem door. ‘Ik besefte opeens dat het nog helemaal geen mooi land is. Er is ontzettend veel werk te doen. Ik nam me op die plek voor om eraan te gaan werken dat Israël alsnog dat paradijselijke land kan worden.’
Hij omschrijft Israël als ‘een hectisch land’ met veel problemen. Maar ook als een land met de warmste mensen en de mooiste natuur. ‘Eigenlijk is Israël een wonder. We hebben het land niet zomaar cadeau gekregen. We hebben er tweeduizend jaar voor gebeden, gevochten en gezwoegd. Ik zie het als Joodse jongen als mijn taak dat land te beschermen. Dit land is een toevluchtsoord voor als het ooit nodig mocht zijn. Al mijn Joodse vrienden gaan elke zomer naar Israël om hier lekker te genieten aan het strand. Maar het is niet vanzelfsprekend dat we hier kunnen zijn.’
Zijn legereenheid kan ingezet worden in onder meer Gaza, de Westbank, Syrië of Libanon. Stuk voor stuk plekken waar het er zwaar aan toe kan gaan. Hij zal niet ontkennen dat hij soms angstig is voor wat hem te wachten staat. ‘Bang dat ik dingen ga zien of dingen moet doen die een 20-jarige jongen eigenlijk niet zou moeten zien of doen. En ik ben ook bang dat er misschien iets met mijn vrienden zal gebeure Source: Volkskrant