Home

Niemand heeft grip op een complexe cocktail van tienduizenden chemicaliën

N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.

Toxicologie In Europa zijn tienduizenden chemicaliën in gebruik, en de controle loopt ver achter. Toxicologen vrezen voor een cocktaileffect. Hoe kon die situatie ontstaan?

Een vogel waarschuwde dat het misging, als een kanarie in een kolenmijn. In 1966 ontdekten Zweedse wetenschappers in de zeearend hoge concentraties van de molecuulklasse ‘pcb’ – polychloorbifenyl. Die stoffen werden al bijna veertig jaar in consumentenproducten verwerkt: aanvankelijk in koelvloeistof, later in veelgebruikte materialen als rubber, verf en asfalt.

In hetzelfde jaar dat de vogels erbij neervielen, kwamen er vissen bovendrijven in een riviertje achter een pcb-fabriek in Amerika, bloedspuwend en met losgeweekte huid. Het verantwoordelijke Amerikaanse bedrijf Monsanto zag het gebeuren, en hield het geheim – net als alle andere zorgwekkende toxiciteitsgegevens die het bedrijf in bijna veertig jaar had verzameld.

In de jaren na de Zweedse ontdekking zagen wetenschappers hoe wijdverspreid de stoffen waren, in bodem, lucht, regen, zoet- en zeewater. En de chemicaliën doordrongen voedselketens – ook op plekken waar nooit pcb is gebruikt. Ze werden gevonden in Schotse zeehonden, Panamese pelikanen, Nederlandse mosselen, kabeljauw in de Baltische zee en pinguïneieren op Antarctica. Via dierlijke producten vonden de stoffen ook hun weg naar het menselijk dieet, soms in te hoge concentraties.

Pas in de jaren 90 stopte de productie, vijftig jaar nadat de stoffen op de markt waren gekomen. Nog steeds kampt de wereld met de gevolgen: pcb-concentraties in vooral zeeleven zijn te hoog. De afname van zeezoogdieren zoals orka’s en dolfijnen in Europese wateren wordt ermee in verband gebracht. Pcb’s zijn in consumentenproducten vervangen door ‘gechloreerde paraffinen’ – ook geen onschuldige stoffen.

Het is geen incident, maar een patroon in het industriële chemietijdperk, ziet Martin Scheringer. Hij is milieuchemicus aan het technologie-instituut ETH in Zürich. Het gebeurt vaker: een bedrijf introduceert een nieuwe stof, na decennia blijkt die schadelijk, maar inmiddels is de stof ‘onmisbaar’ geworden. Uitfasering duurt dan weer decennia.

Het verhaal van pcb’s is vrijwel identiek aan dat van recentere chemische vervuilingen, zoals PFAS en chloorfluorkoolwaterstoffen (cfk’s). Die werden vanaf halverwege de twintigste eeuw massaal geproduceerd, en de schadelijke effecten kwamen decennia later pas boven water. Voor PFAS kwam de wake-upcall voor academici rond de eeuwwisseling, aan een Europese restrictie wordt nu gewerkt. De cfk-alarmbellen gingen in de jaren 70 af, uitfasering van de ozonafbrekende stoffen begon ruim tien jaar later, en duurde ruim twintig jaar. Het herstel van de ozonlaag is nog bezig.

Geen enkele overheidsinstantie heeft ooit echt grip gehad op de productie van chemicaliën, sinds de geboorte van de industriële chemie. Ze worden door mensen zo ontworpen dat ze in consumentenproducten van waarde zijn, maar de toxicologische kennis hobbelt er vaak achteraan. Daardoor heeft Europa nu te maken met een complexe chemische cocktail. Veel te veel stoffen om allemaal op veiligheid te controleren, en er komen elk jaar te veel nieuwe stoffen bij.

Het is onduidelijk hoeveel stoffen er precies in die cocktail zitten. Er zijn 200.000 chemicaliën aangemeld bij het Europees Agentschap voor chemische stoffen, maar waarschijnlijk zijn die niet allemaal nog steeds in gebruik. Voor stoffen in hoge productie, van een ton per jaar, is de registratie vollediger: dat zijn er ongeveer 23.000.

Maar stoffen zijn in beweging, en dus is er waarschijnlijk ook nog van toevoer van buitenaf. Wereldwijd zijn er 350.000 stoffen geregistreerd op de markt, berekenden Zweedse onderzoekers. En de hoeveelheid groeit: het productievolume van chemicaliën wereldwijd is vijftig keer groter dan in 1950, en naar verwachting in 2050 nog eens verdrievoudigd.

Hoe chemicaliën de gezondheid van mensen beïnvloeden, is „de grote vraag”, zegt Christina Rudén, hoogleraar regulering voor ecotoxicologie aan Stockholm University. Individuele chemicaliën kunnen in hogere concentraties schadelijk zijn, maar toxicologen spreken ook van een ‘aggregate effect’: de cumulatieve impact van een chemische cocktail op de gezondheid. Aan correlaties geen gebrek: langdurige blootstelling aan verschillende mild toxische chemicaliën wordt in verband gebracht met chronische en acute schade aan het zenuwstelsel, hart- en vaatstelsel, nieren, luchtwegen, voortplantingsorganen en kanker.

Er worden veel meer chemicaliën geproduceerd dan de aarde nog aankan, waarschuwde een groep wetenschappers vorig jaar in een veelbesproken publicatie in het wetenschappelijke tijdschrift Environmental Science & Technology. Niemand weet hoe veilig de honderdduizenden chemicaliën zijn: voor autoriteiten ligt er simpelweg te veel werk. Die lopen zo continu achter de feiten aan: ze kunnen chemische vervuiling veelal niet voorkomen – het lukt hoogstens om verdere vervuiling te beperken. Hoe is het zo ver gekomen?

De aanzienlijke omvang van chemische vervuiling is in de eerste plaats een erfenis van gebrekkige of vrijwel volledig ontbrekende wetgeving gedurende de twintigste eeuw. „Vanaf de geboorte van de moderne scheikunde in de negentiende eeuw kreeg de industrie een carte blanche”, zegt Scheringer. Daar valt nu niet meer tegenop te reguleren.

Naar schatting zou het duizenden jaren hebben geduurd om alle veiligheidsbeoordelingen af te ronden

Christina Rudén hoogleraar

Lang was er alleen een Europese richtlijn voor gevaarlijke chemische stoffen, ontstaan in 1967 en vernieuwd in 1981. Daarmee bestonden er verschillende regels voor ‘bestaande’ chemicaliën, op de markt gekomen vóór 1981, en voor stoffen die nieuw op de markt kwamen. Producenten van oude chemicaliën moesten aangeven dat ze een oude stof gebruikten, maar genoten verder een zekere wetteloosheid. Het leidde tot een lijst van ongeveer 100.000 verschillende stoffen die in Europa werden geproduceerd of geïmporteerd, waarvoor veiligheidsinformatie grotendeels ontbrak.

Voor stoffen die nieuw op de markt kwamen, golden strengere regels. Als een bedrijf tien kilo per jaar van een nieuwe stof wilde produceren of importeren, moest het zelf testdata aanleveren. Dat kan informatie zijn over hoe een stof zich in het lichaam gedraagt: of het in organen ophoopt of te sterk aan belangrijke eiwitten bindt. Ook. Hoe groter de productie, hoe strenger de testvoorwaarden. Vervolgens was het aan autoriteiten om de veiligheid van alle stoffen te beoordelen, op basis van die aangeleverde data. Dat kwam laat op gang: pas in 1992 werden Europese autoriteiten verplicht om risicobeoordelingen uit te voeren.

De toestroom was niet bij te benen: in 25 jaar tijd verschenen 3.800 nieuwe stoffen op de markt. „Er was heel veel werk te doen en het tempo was heel erg laag”, zegt Rudén. „Naar schatting zou het duizenden jaren hebben geduurd om alle veiligheidsbeoordelingen af te ronden.”

Toen kwam Reach, het Europese wettenpakket dat in 2007 werd ingevoerd. Reach bracht een fundamentele verandering met zich mee: niet autoriteiten, maar bedrijven werden zelf verantwoordelijk voor de veiligheid van hun stoffen. Het maakt daarin niet uit of een stof oud of nieuw is: bij hoge productie moet een bedrijf aantonen dat het de risico’s onder controle heeft.

De naam Reach is een afkorting die het systeem bondig samenvat: Registratie, Evaluatie en Autorisatie van Chemicaliën. Elk bedrijf dat minimaal een ton per jaar van een stof produceert of importeert, moet die eerst registreren bij het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA). Het onafhankelijke Europese agentschap is verantwoordelijk voor de uitvoering van Reach, niet de inhoud ervan. Bij een registratie zitten eisen: bedrijven moeten nu niet alleen zelf testen, maar ook met die gegevens de veiligheidsrisico’s voor mens en milieu in kaart brengen. Vervolgens moet ECHA op twee manieren evalueren: het controleert een deel van de veiligheidsdossiers op kwaliteit en volledigheid, en kan voorstellen om het gebruik van een stof in te perken. De Europese Commissie beslist over inperkingen, in overleg met lidstaten.

Wanneer een stof aantoonbaar schadelijk is, kan die op de autorisatielijst belanden. Daarop staan stoffen die de EU wil uitbannen, maar alsnog kan een bedrijf toestemming krijgen voor gebruik. Dat is weinig controversieel: ook kritische toxicologen zijn het eens dat het gebruik van schadelijke stoffen soms wenselijk is, bijvoorbeeld om de gezondheid of veiligheid van mensen te bevorderen. Zolang er geen geschikt alternatief voorhanden is, mogen hartpompen best schadelijke stoffen bevatten – zoals nu met PFAS het geval is. De bewijslast om aan te tonen dat het gebruik van een stof essentieel is, ligt bij het bedrijf.

Tien kilo is een heel kleine hoeveelheid, maar de meest toxische stoffen worden ook in kleine hoeveelheden gebruikt

Christina Rudén hoogleraar

En er is nog een tweede vangnet: Restrictie. Als autoriteiten vinden dat de risico’s van een bepaalde stof onbeheersbaar zijn geworden, kan een verbod worden ingesteld. De bewijslast ligt dan bij autoriteiten.

„Er is nog nooit zoveel kennis en regulering van chemicaliën geweest als nu, en dat komt door Reach”, zegt Peter van der Zandt. Hij is directeur risicobeheersing bij ECHA. „De verantwoordelijkheid is kome Source: NRC

Previous

Next