Home

‘Ik heb geleerd dat ik zelf de geschiedenis ben’

Haar ouders wilden na de oorlog alleen nog vooruit. Toch drong hun geschiedenis eraan bij dat Marianne van Praag als een van de eerste vrouwen rabbijn werd. En onlangs ging de ‘deur naar het verleden die ik altijd zo zorgvuldig had gebarricadeerd’ even open.

‘Mijn ouders pakten het anders aan dan de vrouw van Lot. Zij is in de Bijbel degene die omkijkt naar haar stad, naar haar verleden, waardoor ze versteent. Mijn ouders wilden na de oorlog juist alleen nog vooruit, met de toekomst bezig zijn. Net als mijn oma, die ook als een van de weinigen van onze familie de oorlog had overleefd. ‘Met het verleden kan ik niet leven, dan moet ik er een einde aan maken’, zei ze.’

De toekomst als ideologie – die levenshouding maakt dat Marianne van Praag op 66-jarige leeftijd over het oorlogsverleden van haar beide Joodse ouders ‘alleen maar schetsmatig’ kan vertellen. Ze weet niet veel meer dan dat beiden op diverse onderduikadressen wisten te overleven. Na de oorlog is haar vader zakenman en haar moeder een ‘sociaal bewogen’ huisvrouw. Hun beide kinderen, geboren in de jaren vijftig, zijn ‘zeer gewenst’. Tijdens hun Haagse jeugd krijgen zij in woorden weinig van de oorlog mee, maar ‘non-verbaal komt er veel over’. Permanent staan er in huis koffers klaar om te kunnen vertrekken, contant geld is ook altijd aanwezig: ‘Mijn moeder deed er alles aan om het thuis gezellig te maken, maar je voelde toch ook een zwaarte.’

Het verleden dringt ook nog langs een andere weg binnen. Moeder Van Praag ontmoet na de oorlog een oudere dame die in kamp Westerbork had gezeten. Die vertelde daar jaloers te zijn geweest op mensen met een sterke Joodse identiteit: ‘Die wisten waarom ze in het kamp waren. Dat gaf hun houvast, een wij-gevoel.’ Voor geassimileerde Joden zonder zo’n identiteit was het moeilijker geweest. ‘Mijn moeder was diep onder de indruk van dat verhaal. Wij moesten ook onze Joodse identiteit meekrijgen, dus nam ze ons mee naar de synagoge.’

Dat legt de basis voor een gebeurtenis een halve eeuw later, wanneer Van Praag aan de opleiding tot rabbijn begint, als een van de eerste vrouwen. Inmiddels staat ze ruim tien jaar aan het hoofd van de Haagse, liberaal-joodse gemeente Beth Jehoeda. Ze formuleert graag ferme standpunten, in scherp contrast met haar jeugdjaren: ‘Tot mijn 25ste heb ik nauwelijks mijn mond opengedaan. Ik was vooral stil, bang voor alles en iedereen.’ Van verlegenheid is niets meer te merken. Maar over de oorlog praat ze nog altijd niet graag: ‘Ik vind het vreselijk wanneer mensen het jodendom uitsluitend op dat negatieve verleden bouwen. We hebben zoveel te bieden, zo’n rijkdom aan ideeën over de mens en de wereld, daar vraag ik veel liever aandacht voor.’

‘Bij het horen van die term krijg ik de kriebels. Een geloof, dat is de christelijke benadering. Wij hebben het over vertrouwen, dat is wezenlijk anders. Voor mij is het een manier van leven. Niemand van ons vraagt of je gelooft, zolang je maar het goede doet. Voor mij is het een doe-religie met als kern: er zijn voor anderen. In mijn werk ben ik dat dag en nacht, tot in het absurde. Mensen zeggen wel tegen me: ‘Je kunt toch een vrije dag nemen.’ Hoezo, denk ik dan? Ik moet nog bij die zieke vrouw langs, bij dat gezin met problemen, ga zo maar door. Als ik zie hoe de regering met vluchtelingen omgaat, kan ik niet stil blijven zitten. Ik heb een overmatig verantwoordelijkheidsgevoel. Als ik onrecht zie, moet ik in actie komen.’

‘Dat gaat voor mij veel verder terug. Bij Pesach praten we over de vlucht van ons volk uit Egypte. Wij waren toen slaven. Ik vertel dat ieder jaar alsof we het zelf hebben meegemaakt. Nog altijd zijn er slaven op de wereld. En tegenwoordig zijn we slaven van materie en luxe. Wij zijn niet anders of beter dan voorgaande generaties. Zo lees ik de Bijbel: niet als een geschiedenisboek, maar als het verhaal hoe de mens is, was en zal zijn.’

‘De verhalen van het Oude Testament doen zich nog altijd voor, alleen in andere gedaanten. De omstandigheden veranderen, maar het basisgedrag van de mens blijft hetzelfde. Het is aan ons in te zien dat die verhalen zich niet in de buitenwereld afspelen, maar over onze binnenwereld gaan.

‘Ieder mens wordt geboren met de neiging tot het goede en het kwade. Met beide krijg je in je leven te maken. De kunst is de balans tussen die twee te vinden. Dat is een voortdurend gevecht, dat kun je uit de Bijbel wel opmaken. Vooruitgang? Het ego, dat ons zoveel ellende brengt, speelt nog altijd een even grote rol in de wereld. In de geschiedenis heb je wel rustige en minder rustige perioden, ze verloopt cyclisch, maar de mens verandert niet. Soms is er sprake van een toenemend bewustzijn, maar dat zakt helaas ook weer weg. Kijk maar naar de oorlog in Oekraïne of naar onze omgang met vluchtelingen. De wapenhandel floreert, nou, wat een vooruitgang in bewustzijn!’

‘Dat moet je op individueel niveau bezien. Ik kan de wereld niet veranderen, zo arrogant ben ik niet. Maar ik kan wel verschil maken in wat op mijn pad komt. De vraag is: wat doe ik daarmee? Ik probeer dat steentje in het water te zijn dat iets goeds bijdraagt, in het volle besef dat ik het overzicht over het geheel niet kan hebben.

‘De zin van het leven zit in de lessen die je door het leven krijgt aangereikt, die moet je inzien en je eigen maken. Daarbij mag je fouten maken, dat kan niet anders. Soms heb je je hele leven nodig om tot een bepaald inzicht te komen, dat is dan ook goed.’

‘Ik had altijd het gevoel dat er meer moest zijn dan mijn werk, ik werkte onder meer in het onderwijs. In 2004 kwam dat op mijn pad met de opleiding tot rabbijn, het grootste cadeau van mijn leven. Sindsdien kijk ik anders tegen de wereld aan.

‘Voor mijn toelating moest ik spreken met rabbijn David Lilienthal. Ik zei: ‘Ik wil wel rabbijn worden, maar ik geloof niet in God.’ Bij dat woord had ik erg last van het christelijke beeld van een man op een wolk. Dat had ik geïnternaliseerd, ook al ben ik in nog zo’n Joods gezin geboren. Terwijl in onze religie het goddelijke te groot is om je er een voorstelling van te maken. We spreken zelfs de naam God niet uit.

‘Het antwoord van Lilienthal was: ‘Is er dan iemand die dat van je vraagt? Ik weet niet wat voor beeld van God jij hebt.’ Daarna heeft hij me verder mijn eigen strijd laten voeren. Ik ben uitgekomen bij het beeld van het goddelijke als een diamant met allerlei facetjes. Tijdens een gesprek zoals we dat nu voeren, kan zo’n facetje stralen, dat is dan een goddelijk moment.’

‘Dat drong zich op in de synagoge op Grote Verzoendag, in 2005. Rabbijnen gaan alleen op die dag knielen en op de grond liggen. Daar verzette ik me aanvankelijk tegen, maar toen het zover was heb ik het toch gedaan. Liggend ervoer ik: ‘Hier ligt een ingepakt ego, niets meer dan dat. Wat ik ook doe, de vogeltjes buiten blijven zingen, de zon blijft schijnen.’ Toen hoorde ik in mijn hoofd de stem van Lilienthal: ‘Ik weet niet wat voor beeld van God je hebt.’ Op dat moment kreeg ik dat beeld van een diamant met facetjes. Daarmee kon ik het christelijke beeld van God vervangen. Het was een zeer intens, oprecht moment. Sindsdien kan ik over het goddelijke praten, omdat het betekenis voor me heeft gekregen.’

‘Ik legde me altijd toe op het praktische jodendom, maar hield daarbij het gevoel dat dat niet alles kon zijn. Tijdens mijn opleiding ontmoette ik Sjef Laenen. Hij was diep religieus, maar volgde geen kerkelijke leer. Zijn antwoorden op levensvragen had hij gevonden in de joodse mystiek, de kabbala. Hij is mijn spirituele leermeester geworden. Drie jaar geleden is hij overleden, ik mis hem nog iedere dag.

‘Dankzij hem leerde ik dat er een ander jodendom is dan het wettische, de regels waaraan je je moet houden. Dat andere jodendom gaat in de kern om de intuïtieve dimensie, uiteindelijk om de ziel. Ik geloof dat onze zielen deel uitmaken van een groter plan waarover we geen overzicht hebben. Alles wat in ons leven gebeurt is betekenisvol, al kan het zijn dat we die betekenis niet inzien. Die visie is voor mij leidend geworden. Regels kunnen helpen een goed leven te leiden, maar de belangrijke keuzes in je leven maak je vanuit je hart. In mijn ervaring kan het nooit fout gaan als je je intuïtie volgt.

‘Neem de zegen die ik uitspreek wanneer iemand op sterven ligt. Ik maak die altijd tot een hoogstpersoonlijk gebed. Altijd lukt het dan iets te zeggen dat goed is voor die persoon. Waar de woorden uit voortkomen, weet ik niet, maar ze wellen in me op. Dat is iets onbeschrijflijk krachtigs.’

‘Ik heb een belangrijke levensles geleerd, toen ik het Namenmonument in Amsterdam voor Joodse slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog bezocht. Ik was enorm tegen geweest, want dat geld kon beter aan levende Joden worden besteed, vond ik. Maar toen ik ter plekke was, kwam het enorm binnen. Voor het eerst stond ik oog in oog met mijn familie. Met de naam van degene naar wie ik ben vernoemd. Toen werd het opeens heel reëel (tranen). Kennelijk moet je daar 66 voor worden, om het echt te kunnen laten doordringen.’

‘De verhalen en foto’s kende ik natuurlijk, maar daar, op dat moment, begreep ik ten diepste dat het deel van mij uitmaakt. Ik ben zelf die geschiedenis. Die deur naar het verleden die ik altijd zo zorgvuldig had gebarricadeerd, ging toen even open (stilte). Daarna heb ik hem dichtgedaan. Ik weet wat ik heb, maar niet wat ik krijg als ik hem open zou houden.’

‘Ik geloof in het voortbestaan van de ziel, maar weet verder niet hoe dat eruitziet. De sleutel Source: Volkskrant

Previous

Next